De ruïne van het Atlantische regenwoud

Het bos heeft een belangrijke rol gespeeld in de kolonisatie van Brazilië, en speelt nog steeds een grote rol in de kapitaalverwerving van het land. Ook cultureel gezien is het bos, het regenwoud, een van de hoofdrolspelers. Het wordt vaak ten tonele gevoerd als leverancier van speciale, zeldzame of waardevolle planten en dieren. De eerste Europeanen beschreven het regenwoud als ‘Eden’, net zoals reisorganisaties dat vandaag de dag weer doen. Mensen die in de jungle (moesten) werk(t)en gebruikten meer negatieve termen en vertelden vooral over het onmenselijke klimaat, de insecten en gevaarlijke wilden beesten. Voor de oorspronkelijke Brazilianen was het toch vooral hun thuis.

Op dit moment is de Amazone het regenwoud dat de gemoederen op zowel economisch, ecologisch en mythisch gebied bezighoudt. Toch is de Amazone pas relatief kort het slachtoffer van exploitatie. Het bos wat de eerste Europeanen deed overgaan tot kolonisatie (in plaats van plundering) is het Atlantische Regenwoud. Dit ‘Eden’ is ook het regenwoud dat veelvuldig als locatie dient in klassieke Braziliaanse literatuur, en vormt daarin een belangrijke basis voor de Braziliaanse gotieke literatuur. Een passage uit het boek ‘With Broadax and Firebrand, the Destruction of the Brazilian Atlantic Forest’ (1995) van Warren Dean is daar een goed voorbeeld van:

“To advance a kilometer is to clamber over fallen trunks a score of times or more. Along the streams, legions of blood-sucking ticks, mosquitoes, sand flies, some of them parasitized by microbes lethal to us hairless mammals – pursue relentlessly. Centipedes, scorpions, and urticating caterpillars dare us to touch them. Amid this chaos, this wreckage, these dangers, we peer upward at the distant light that filters wanly through the foliage.

[…] The forest’s gloomy floor offers our species few aesthetic attractions. Its denizens are solitary, ghostlike. Most of its birds are taciturn, their colors subdued. Most of its flowers are tiny, white or green, and unscented. Its tree trunks, spattered with the ocher, umber and vermilion of lichens, are twined about with vines. Mosses and cacti droop from branches. Its canopy, fluttering in the wind that blows high above our heads, refracts the distant sun. A hundred shades of green shimmer and deceive our eyes. Although an artist may depict precisely this or that flower on the forest floor, the forest entire defies artistic skill. Neither paint nor photograph, no more than mere works, can capture the forest’s enveloping, uncanny presence, its ‘plastic solidity.’ In the distance, howler monkeys roar their matutinal defiance at the emerald void.

[…] We are no longer nocturnal, if ever we were. But the forest comes alive only at night. Then is the forest filled with the screeches and screams and skirls of fogs, birds, and insects, engaged in a million dramas of chase, evasion, and copulation. Amid the clamor of the night forest we are blind without our flashlights, defenseless without mosquito nets and hammocks and campfires.

[…] The forest is no glen of idylls, of sportive dryads, nymphs and elves. These tree creatures are engaged in titanic, slow-motion struggles that we short-lived, frenetic humans cannot even sense. Far above our heads they batter each other for space and sunlight, grasp each others’ branches, settle their seeds in the crotches of each others’ trunks, scrape and penetrate each others’ bark, engulf and strangle each other. In the night forest, above the animal din, one may hear a giant collapse when its burden of parasites overwhelms it, when its branches have been too effectively bored by termites, when its struggle is lost.

[…] Darwin found it ‘nearly impossible to give an adequate idea’ of his emotions. Astonished at its strangeness yet unable to relate it to the nature he had found so amiable in England, his ‘reason’ told him it was beautiful, ‘but the feelings do not correspond.’ Although he reported that his mind was elevated to ‘sublime devotion,’ it was clear that his god had not been in a contemplative mood when he created this nature. Perhaps it was even some other god.”

Dit is het gebied waar de verhalen van Hans Staden zich afspeelden. Ook José de Alencar’s O Guarani en Iracema spelen zich af in het Atlantische regenwoud. Tegenwoordig is het Atlantische regenwoud niet meer dan een ruïne van wat het 500 jaar geleden was. Van de gedeeltes die nog over zijn is het niet duidelijk hoeveel ervan uit echt oerbos bestaat en in hoeverre de diversiteit in de rest een afspiegeling is van wat het ooit was. Veel soorten uit het Atlantische regenwoud waren endemisch en kwamen alleen maar in relatief kleine gedeeltes van het bos voor. In zekere zin was dit woud een aaneenschakeling van vele micro-ecosystemen wiens vreemde harmonische evenwicht gebaseerd was op parasitaire relaties en waar het uitsterven van soorten altijd weer ruimte bood aan het opkomen van een nieuwe soort.

Het is evenmin duidelijk in welke mate het Atlantische regenwoud nog ‘maagdelijk’ was toen de Europeanen Brazilië in de 16e eeuw ontdekten. De Tupi indianen leefden op relatief kleine schaal van landbouw: ze brandden stukken bos plat die ze na gebruik weer terug lieten komen. Er zijn berekeningen op basis van schattingen van het aantal Tupi wat een bepaalde periode zo geleefd moet hebben die aantonen dat het grootste gedeelte van het ‘originele’ bos al een keer verbrand moet zijn geweest op het moment dat de Europeanen de term ‘maagdelijk’ gebruikten om hun nieuwe ontdekking te typeren.

De Europeanen gebruikten dit nieuwe land in het begin vooral als voorraadkamer voor de adel: allerhande exotische dieren (met name papegaaien) werden naar Europa gehaald, maar ook ‘Brazilwood’, hout waaruit een rode kleurstof gewonnen werd en waar Brazilië haar naam aan te danken heeft, werd in grote hoeveelheden verscheept. Daarnaast begonnen ze te experimenteren met het uitwisselen van planten tussen de verschillende koloniën. In Brazilië werden in eerste instantie de banaan, jackfruit en de mango geïntroduceerd. Vanuit Brazilië werden de pinda en de maniok (cassave) naar Afrika en Azië verscheept. Daarnaast werden de Tupi gebruikt als slaven en werd ‘rassenvermenging’ aangemoedigd om de nieuwe generaties Tupi als het ware los te weken van hun voorouders.

Op het moment dat er in de 18e eeuw goud en diamanten gevonden werden in het Atlantische regenwoud ging het echt goed mis. Portugal maakte serieuze plannen voor kolonisatie en het kappen van het bos begon groteske vormen aan te nemen. Er was nu namelijk veel meer hout nodig voor nederzettingen een scheepsbouw, en er moesten grotere stukken geveld worden om transport van grondstoffen te bespoedigen. De nieuwe grasvlaktes die hierdoor ontstonden werden gebruikt om vee te laten grazen. Rundvlees was heel geschikt als gedroogd voedsel voor de goud en diamant zoekers. Door erosie groeide op deze vlaktes echter niet het meest voedzame gras waardoor er minder koeien per hectare konden grazen en er dus meer gekapt moest worden om aan de vraag te voldoen. Daarnaast mislukten de meer grootschalige landbouwprojecten met uit Europa en Azië geïmporteerde soorten. Een blad etende mierensoort (Sáuva) at in moordtempo alle oogsten op en leek op geen enkele manier te bestrijden. De vraag naar rundvlees nam hierdoor toe. Daarnaast werd er veel geëxperimenteerd met landbouw op verschillende plekken (laagland, hoogland, droge bodem, natte bodem, etcetera) waarvoor grote oppervlaktes van het bos gekapt werden.

In de tussentijd breidde de Braziliaanse bevolking zich snel uit. Er werd tot in de jaren 60 van de vorige eeuw in de meeste huizen en restaurants in een houtoven gekookt. Daarnaast kwamen ook de spoorwegen op en werd er in Brazilië geen steenkool gevonden. Alhoewel er mondjesmaat steenkool werd geïmporteerd werd er toch vooral van hout gebruik gemaakt. Dit dunde het bos danig uit dat er gezocht werd naar een boomsoort die goed als brandhout gekweekt kon worden. Dit werd de Australische Eucalyptus boom. In grote aantallen werd deze boom, met name door de toenmalige spoorwegen (tegenwoordig gaat alle vervoer per buss en vrachtwagen), aangeplant. Later werden stukken van deze ‘nieuwe bossen’ als reservaat aangewezen.

Een van de grootste bedreigingen voor het Atlantische bos was wel de introductie van koffie als commercieel product begin 19e eeuw. Het goud en de diamanten waren op, de meeste andere landbouw experimenten waren mislukt en Brazilië had dringend een nieuw exportproduct nodig. Koffie bleek verassend goed te gedijen op de tot dan toe gespaard gebleven stukken bos: dat op de berghellingen. In rap tempo veranderde de meeste bergen in koffieplantages. De techniek die gebruikt werd om een stuk bos te vellen, namelijk verbranding waarbij de as als vruchtbare toplaag werd gebruikt, leidde tot ongekende erosie en volledige verdwijning van de (eveneens zeer vruchtbare) humus laag die er voor had kunnen zorgen dat het bos ooit weer terug had kunnen groeien. De verbrandingen zorgde voor zoveel rookontwikkeling dat de bewoners van Rio de Janeiro dit als een soort mist gingen zien.

De introductie van de trein als personenvervoermiddel begin 20e eeuw opende de ogen van de elite. Een ritje even buiten Rio de Janeiro toonde een verschroeide aarde. Op aandringen van de elite begon de overheid mondjesmaat met het terugplanten van het regenwoud op niet gebruikte plekken. Uiteindelijk werden de koffieplantages verplaats en werd het hele bos rondom Rio de Janeiro terug geplant. Dit gebied heet nu Tijuca en is een beschermd park waar onder andere het beroemde Christo Redentor (Christus de Verlosser) beeld staat.

Op dit moment is het vooral de corruptie die het laatste beetje Atlantische bos bedreigd. Er valt niet veel meer te halen, maar het kappen van bomen voor hardhout schijnt nog wel te gebeuren. De vrijwel volledige verdwijning van het Atlantische regenwoud in de afgelopen 500 jaar en de ruïneuze toestand waarin het gebied nu verkeert zouden vooral moeten dienen als negatief voorbeeld van waar de Amazone op afstevent. Hopelijk trekken de juiste mensen hier lering uit.

De andere Samba

Rio de Janeiro is net bijgekomen van het vier dagen overgeleverd te zijn aan de God van het Carnaval. De Samba scholen hebben elkaar uitgedaagd door megalomane pronkwagens te bouwen waar men met veel glitter en glamour op danst, gevolgd door de leden van de Samba school. Maar ook buiten de optocht doet iedereen mee aan het spektakel van meer dan vier dagen overdadig feesten in de hete Braziliaanse zomer.

De Samba scholen zetten de toon van de parades en de meeste Samba liedjes gaan over ‘arm maar toch gelukkig zijn’, ‘de morros (heuvels van de favela’s) zijn precair maar prachtig’ en natuurlijk ‘alles komt uiteindelijk goed’.

Eén van onze favoriete gesprekspartners rond het gotieke thema in Brazilië, kunstenaar Leandro Cardoso, wees op iets minder bekende maar zeer inspirerende Samba zanger, componist en dichter: Nelson Cavaquinho (1911 – 1986). De bijnaam Cavaquinho kreeg hij door zijn bijzondere spel op de cavaquinho, een kleine gitaar die veel in Samba muziek wordt gebruikt. De sfeer van zijn nummers is donkerder dan normaliter gebruikelijk bij Samba en hij zong niet over een goed einde maar over de dood, het harde leven en de realiteit van iedere dag. Hij kan eigenlijk gezien worden als de door ons eerder genoemde schrijver Nelson Rodrigues onder de componisten. Nostalgie en het doorstaan van het leven zijn vaak hoofdingrediënten. Waarschijnlijk werd hij pas later bekend omdat hij uit een arm gezin kwam en zwart was, indianen bloed en een droevig uiterlijk had, ook wel caboclo genoemd.

Een overzicht van een deel van zijn nummers is hier te vinden. Met veel volledige teksten en vaak ook de muziek.

Onwennige architectuur

Brazilië is een paradijs voor de liefhebber van modernistische architectuur. De combinatie van de enorme hoeveelheid beschikbare ruimte, het naarstig zoeken naar een nationale identiteit en de geboorte van Oscar Niemeyer hebben er in de afgelopen eeuw voor gezorgd dat het land tot een waar openlucht museum van het modernisme is verworden. Er zijn talloze boeken geschreven, vele lezingen gegeven en een ontelbaar aantal dingen gezegd over dit onderwerp. Weinigen hebben zich echter gewaagd aan een gotieke blik op de modernistische architectuur.

Gotieke (of gotische) architectuur kreeg haar naam van Giorgio Vasari die daarmee vooral wilde aangeven dat het hier om een barbaarse vorm van architectuur gaat. Vasari behoorde in de 16e eeuw tot een groep architecten die de geometrische en evenwijdige vormen van de Grieken en Romeinen in ere hadden hersteld. Onder gotieke architectuur viel voor deze groep alles wat in de donkere eeuwen daarvoor gebouwd was. Het woord ‘gotiek’ leidde Vasari af van de Goten, een Germaanse stam die verantwoordelijk wordt gehouden voor de val van Rome en daarmee het begin van de ‘barbaarse’ middeleeuwen. Gotieke architectuur valt qua vorm te generaliseren door het veelvuldig gebruik van de gebroken boog (spitsboog) en de grillige, naturalistische vormen die met name de grotere bouwwerken vaak hadden. Een gotiek bouwwerk moest met al haar ramen  vooral ontzag voor het onzichtbare wekken bij haar gebruikers. In een gotieke kathedraal moest je God als het ware kunnen voelen.

Bekeken vanuit een puur katholiek christelijk perspectief klinkt dat uiteraard allemaal heel leuk en aardig, maar iedereen die wel eens een echte gotieke kathedraal heeft bezocht herkent de goddelijke overweldiging waarschijnlijk eerder als een gevoel van ontheemding. Naast de donkerdere en mystiekere afbeeldingen van het evangelie die de muren sierden in die tijd draagt de verhouding tussen het bouwwerk en het menselijk lichaam daar aan bij. Sommige kathedralen zijn zo hoog, groot of weldadig gedecoreerd dat dit als mens niet meer in één waarneming te vatten is. Soortgelijke situaties in de natuur vind je bijvoorbeeld in de woestijn, de jungle of op uitgestrekte ijsvlaktes. Denk bijvoorbeeld aan de schilderijen van Caspar David Friedrich. Zijn landschappen (al dan niet met gotieke ruïne) proberen dit gevoel over te brengen. De filosofen Edmund Burke en Immanuel Kant hebben geprobeerd deze toch wel heel erg zintuigelijke aangelegenheid te vangen in tekst. Dat deden ze door een vernieuwde definitie van het sublieme op te stellen. Kort gezegd beschreven Burke en Kant het sublieme als een schoonheid die pijn doet.

Ook modernistische architectuur kan je een vergelijkbaar ontheemd gevoel geven. Bouwwerken kunnen soms zó hoog, groot, weids of zelfs transparant zijn dat je als gebruiker van zo’n gebouw eigenlijk nooit weet waar je precies in het gebouw bent, je het gevoel hebt constant bekeken te worden of meer het idee hebt dat je in een kathedraal bent in plaats van in een ordinair kantoorpand. Daarnaast speelt ook het ontwerp van de (publieke) ruimte rondom deze gebouwen een grote rol binnen het modernistische totaalplaatje. Al lopend door bijvoorbeeld Brasília, krijg je hier dan ook al snel genoeg een ontheemd gevoel. In de auto is het uiteindelijk al niet veel beter. Rijdend van bezienswaardigheid naar bezienswaardigheid ben je in de auto beter op je plek dan lopend, maar zodra je een van de vleugels van het vliegtuig (Brasília is ontworpen in de vorm van een vliegtuig) binnenrijd slaat de vervreemding weer toe.

Bij zo’n beetje elke afslag die je neemt bekruipt je het gevoel dat je al eerder in de straat die voor je ligt bent geweest. De oorzaak van dit ‘Groundhog Day‘ gevoel ligt bij de strakke planologie van de stad. De horizontale lanen in de vleugels van het vliegtuig zijn bedoeld voor appartementen en de verticale, kortere, straatjes voor winkels. Alle gebouwen zijn exact hetzelfde en de straten hebben geen namen maar letters en nummers.

Zowel in een gotieke kathedraal als bij een modernistisch bouwwerk ligt de beleving van haar schoonheid erg dicht bij dit gevoel van ontheemding. Je zou misschien zelfs kunnen stellen dat de extreme mate van aandacht voor schoonheid bij zowel gotieke als modernistische architectuur leidt tot een bepaalde mate van vervreemding.

Eén van de dingen die de moderne tijd kenmerkt is de opkomst van de psychiatrie. Een boegbeeld van de psychiatrie is natuurlijk Sigmund Freud. Freud dacht veel na over angsten en een van de concepten waar hij mee op de proppen kwam was een beschrijving van das unheimliche (in het Engels the uncanny, wij hebben het vrijelijk naar het Nederlands vertaald als het onwennige). Unheimlich is dat wat op een angstwekkende manier bekend is. Denk bijvoorbeeld aan een dubbelganger of aan een bekende die onherkenbaar verminkt is.

In de verbinding van modernistische architectuur en planologie aan de gotieke architectuur die wij proberen te maken liggen zowel het unheimliche als het sublieme ten grondslag. Als iets ontworpen is met strikte ethische en esthetische uitgangspunten en doeleinden is er een grote kans dat gebruikers van zo’n gebouw zich onwennig voelen in die omgeving (zie bijvoorbeeld Jacques Tati’s Play Time) of, als de gestelde doeleinden niet bereikt worden, dat mensen hun eigen manier van gebruik uitvinden (denk aan de vele mislukte woonwijken opgezet volgens de modernistische ideologie). Waar het eerste een voorbeeld is van een modernistische versie van het sublieme is het tweede een voorbeeld van een (post-)moderne unheimlichkeit.

Iemand die veel werkte met dit uitgangspunt was de Britse schrijver J.G. Ballard. Regisseur David Cronenberg verfilmde zijn boek Crash, over een groep mensen die een er fetisj voor auto ongelukken en de daardoor veroorzaakte verwondingen op na houden. Het Stedelijk Museum Bureau in Amsterdam deed in 2007 een project met kunstenaar Chris Evans op basis van Ballard’s boek Concrete Island over een man die gevangen raakt op een stukje land tussen allerlei snelwegen in. Een nog beter voorbeeld van een gotieke blik op modernistische architectuur geeft hij in High Rise, waarin hij de devaluatie van een groep vermogende mensen woonachtig in de modernste wolkenkrabber beschrijft (wat qua verhaal verdacht veel lijkt op Cronenberg’s film Shivers).

Het Brasília van de lage landen – de Bijlmer – is tijdig onder handen genomen om Ballardiaanse toestanden te voorkomen. Een grote fout, aldus Ballard zelf: de enige manier om de totaal vast geplande ‘Architecture of Death’ te ontstijgen is door mensen er hun gang te laten gaan. Uiteindelijk zal er een nieuwe manier ontstaan waarop de kapot-ontworpen versie van de modernistische architectuur een bruikbare functie krijgt voor de mensheid, je moet de mensheid echter wel eerst de kans geven die manier te vinden, aldus Ballard. En zo precies verging het ook de gotieke architectuur: na ongeveer 300 jaar als barbaars en waardeloos bestempeld te zijn leefde ze weer helemaal op toen de tijd daar rijp voor was. Zozeer zelfs dat er naast architectuur ook een gotieke literatuur ontstond en zelfs kortstondig een gotieke politieke partij bestond in het 18e eeuwse England. Gewoon laten staan dus, dat Kleiburg, de hoogtijdagen van het modernisme moeten namelijk nog komen.

Interview met José Mojica Marins – De horrorfilm ten tijden van Tropicália en het militaire regime

Hoewel het grootste gedeelte van het interview wat wij José Mojica Marins afnamen door Schokkend Nieuws zal worden gepubliceerd, stelden wij hem ook nog wat vragen die specifiek betrekking hebben op ons onderzoek. Op het eiland Florianópolis ontmoette wij professor Daniel Serravalle de Sá wiens proefschrift Marins’ werk contextualiseert in het licht van het militaire regime. De Sá’s werk is baanbrekend in die zin dat de meeste Brazilianen de films van Marins niet echt serieus nemen – niet in conceptuele zin maar ook niet op het niveau van de praktische innovaties die Marins deed. Naast vernieuwende manieren om films te financieren bedacht Marins namelijk een aantal vernieuwende camerastandpunten en edit technieken.

Het feit dat Marins bevriend was met mensen uit de Tropicália beweging en met een aantal regisseurs die eveneens naam maakten rond die tijd geeft aan dat hij aan het begin van zijn carrière een stuk serieuzer genomen werd. Wellicht dat de censuur tijdens het militaire regime daar negatieve invloed op heeft gehad. Veel van Marins vrienden verhuisden naar het buitenland, voor sommige was dat bittere noodzaak en voor anderen kwam het carrière technisch wel goed uit om in ‘ballingschap’ te ‘moeten’ leven. Marins koos er echter voor om in Brazilië te blijven en het gevecht met de censor aan te gaan. Een gevecht dat hij uiteraard niet kon winnen: zijn films mochten uiteindelijk niet meer vertoond worden en na de val van het regime zag Marins zich genoodzaakt om pornofilms te maken om zijn rekeningen te kunnen betalen. Inmiddels waren zijn films wel opgepikt in de Anglo-Europese wereld waar ze geroemd werden vanwege hun vernieuwende mix van horror, geweld, felle kritiek op religies en huis-tuin-en-keuken filosofie. Dit in combinatie met het feit dat Zé do Caixão uitgroeide tot een nationaal fenomeen zorgde er voor dat Marins tot op de dag van vandaag films kan maken in Brazilië.

Maaike Gouwenberg en Joris Lindhout en Jose Mojica Marins

M&J: We spraken met verschillende mensen die jouw vroege werk lezen als een kritiek op de sociale omstandigheden in die tijd. Was het een bewuste keuze om sociale kritiek in je films te verwerken of is dit iets wat achteraf door wetenschappers gelezen wordt?

José: Ik deed gewoon wat ik dacht dat ik moest doen.

M&J: Maar had je de intentie om met je films kritiek te leveren op het regime?

José: Een nekschot had ik gezien, maar een filmstudio nog nooit. Pas na mijn derde film ben ik naar een studio gegaan: Maristela in Vera Cruz. Ik had daar mijn kantoor maar ik filmde altijd op straat.

M&J: Hoe sta je tegenover de analyse van je werk als een instrument voor sociale kritiek?

José: Ik ben vaak gearresteerd. Ik was een van de meest vervolgde filmmakers, het was een hele nare tijd. Eigenlijk wouden ze me uit de weg ruimen.

M&J: Ben je verbannen geweest?

José: Ik ben nooit verbannen, maar vaak gearresteerd en gemarteld. De enige reden dat ik nog leef is omdat ik zo slim ben. Ik zag al mijn vrienden zoals Glauber Rocha, Rogério Sganzerla en Júlio Bressane naar het buitenland vluchten. Ze zeiden tegen me: Zé als je niet vlucht zullen ze je vermoorden! En daar hadden ze gelijk in. Ze hadden me zeker vermoord als ik ze niet te slim af was geweest. Ik zorgde dat ik bevriend werd met een aantal mensen bij de politie en vroeg hen om uitnodigingen voor besloten feestjes. Op die feestjes zocht ik naar dochters van hooggeplaatste politiemannen, en hen bood ik een rol aan in mijn nieuwste film. Als ze me vervolgens probeerden te arresteren tijdens het filmen liet ik haar bellen met haar vader, en zo kon ik altijd mijn films afmaken.

M&J: En die meisjes hadden niets door?

José: Jawel, nadat het regime was gevallen vertelde ik ze ook dat ik eigenlijk alleen maar bij ze was om mijn films te kunnen maken. Zij vertelden mij toen dat ze ook alleen bij mij waren zodat ik mijn films kon maken.

… De rest van het interview zal binnenkort door Schokkend Nieuws worden gepubliceerd!

Buiten de bebouwde kom

Om even niet gebonden te zijn aan bus, metro, taxi of vliegtuig, besloten we een auto te huren en de omgeving van Brasília te verkennen, een gebied dat beroemd is om de vele gigantische kristallen in de grond, de tientallen watervallen en prachtige natuur. Naast de aantrekkingskracht die de kristallen hebben op talloze esoterische bewegingen, hippies en sektes – zoals Vale do Amanhecer – zijn de kristallen doelwit van rovers die op zeer uiteenlopende plekken naar de kristallen lijken te zoeken.

Aangetrokken door deze wilde verhalen en nieuwsgierig naar de energierijke plekken, vertrokken wij in onze huurauto naar het noorden van de staat Goias, er vanuit gaande dat we in een dikke twee uur bij een wonderschoon natuurgebied aan zouden komen. Op het moment dat we van snelweg wisselden en aan het langste deel van de korte reis begonnen, begaven we ons op een weg vol met rood-zwarte plekken. Net op gang gekomen bleek al snel dat deze plekken geen vlekken waren maar diepe gaten. BAM! daar ging het linker voorwiel door één van de kuilen. Een geratel en zachte sis. BAM! het rechterwiel ook door een gat. Dat was een wieldop en een velg.
De weg werd slechter en onze reis langer, want alleen zéér geconcentreerd en langzaam was het mogelijk deze weg met onze kleine auto te berijden (Brazilië lijkt het enige land ter wereld waar je binnen de bebouwde kom harder kan rijden dan er buiten). Op dertig kilometer van het bergdorp van bestemming leek de weg even te verbeteren, om vervolgens over te gaan in een dirt-road met nóg veel meer gaten dan in het asfalt.

Buiten het feit dat we ons afvroegen of we met deze auto ooit nog terug konden komen, rees de vraag hoe deze gaten überhaupt ontstaan. Een logische verklaring zou de afwisseling tussen extreme droogte en tropische regen kunnen zijn maar omdat het gebied naar zeggen vol met kristallen zit zijn het wellicht de rovers die gaten maken, op zoek naar een waardevolle buit. Dat de staat niets aan de gaten doet komt hoogstwaarschijnlijk door de enorme corruptie en wellicht door de zwarte handel met de gevonden edelstenen.

Vale do Amanhecer

Een opvallend fenomeen in de zuidelijke staten van Noord-Amerika zijn de grootse, religieus getinte achtertuin installaties die de zogeheten ‘outsider artists‘ hebben gemaakt (in de verleden tijd gezien dit met name een bezigheid was van de generatie die opgroeide in de jaren ’60). In Brazilië pakte men het nóg grootser aan in de flowerpower tijd, gedurende welke het land voor een groot gedeelte gebukt ging onder een militaire dictatuur en een ’68-achtige revolutie tot nog toe is uitgebleven.

Tia Neiva, de eerste vrouwelijke vrachtwagenchauffeur van Brazilië, zag een licht en startte vlak bij hoofdstad Brasília een nieuwe religieuze stroming; de Vale do Amanhecer (Vallei van de Dageraad). Neiva leende symboliek van zo’n beetje alle denkbare religies en andere culturele stromingen en zo is de Vale do Amanhecer waarschijnlijk de enige plek op aarde waar je in 1 oogopslag een Jezus-afbeelding, een Davidster, een Piramide, het Olympisch vuur en een afbeelding van een Noord-Amerikaanse ‘native American’ met een klein Macumba tabernakel kunt zien terwijl je naar een door Neiva van nieuwe teksten voorziene versie van ‘Stille Nacht’ luistert.

Alhoewel de totale doctrine van de Vale do Amanhecer erg ingewikkeld is komt het spirituele werk wat de mediums verrichten globaal gezegd op 1 ding neer: het begeleiden van onwetende, kwade, verdwaalde of anderszins lastige geesten van overleden mensen naar de volgende fase van zijn. Tijdens een dienst in de tempel van Pai Seta Branca (Vader Witte Veer) gebeurt dit op twee verschillende manieren: mensen die ergens last van hebben worden tijdens een semi-private sessie door een medium en een assistent behandeld. Het medium praat met de geesten die om de persoon in kwestie heen hangen, en de assistent kanaliseert dit contact. Daarnaast zijn er hogere media die gezamenlijk alle andere verdwaalde geesten helpen in een deel van de tempel waar alleen zij mogen komen.

De verschillende rangen en standen binnen de Vale kunnen worden afgelezen aan de kleding van de mediums. De pakken met capes, hoge kragen, schouderkappen en brede riemen doen nog het meest aan de outfits uit Flash Gordon denken. Verschillende kleuren en badges geven de functie van de drager aan. Als deze mensen tijdens één van de diensten of rituelen hun plek innemen in één van de fantastische felgekleurde bouwwerken is het science-fiction-achtige plaatje compleet: het tafereel zou dan ook niet misstaan op de cover van een L. Ron Hubbard boek. De bouwwerken doen qua esthetiek erg denken aan de installaties die Noord-Amerikaanse outsider artists zoals Howard Finster en Floyd Banks maakten. De felle kleuren, de handgeschreven teksten, het net niet professionele gebruik van beton, en de filmset-achtige aandacht voor de gevels van tempelgebouwen die aan de achterkant toch vooral op een schuur lijken geven de grootse installaties van de Vale een amateuristisch tintje. Het geheel behoud hiermee een menselijke inslag, iets wat geen overbodige luxe is op het moment dat je het idee hebt dat je door de coverplaat van een L. Ron Hubbard boek loopt.

Naast de eerder genoemde tempel is een van de meest opmerkelijke bouwwerken een enorme installatie rondom een meer aan de voet van een heuvel. Op de heuvel staat een ellips met daaronder de levensgrote tekst ‘Salve Deus’ (God redt). Daaronder begint een waterval die naar het meer leidt, met daaromheen een stervormige looproute die 3 maal daags gebruikt wordt voor een ritueel waarbij de mannen op graftombe-achtige plateau’s liggen en de vrouwen naast het water zitten in een poging de verdwaalde geesten de juiste weg te wijzen. Verder staan rondom het meer nog het Olympisch vuur, een piramide, en verschillende 4 of 5 meter hoge beelden van goden die zo uit Lord of the Rings vandaan lijken te komen.

Om dit alles te bouwen en te onderhouden zijn natuurlijk arbeiders nodig en dus is er in de loop van de tijd een heel dorp rondom de installatie ontstaan, compleet met lijmsnuivende daklozen. Tia Neiva overleed in 1985, en sindsdien wordt er niets compleet nieuws meer aan het bouwwerk toegevoegd. Neiva ontwierp alle kostuums, gebouwen, infrastructuur, etcetera geheel op basis van visioenen en uiteraard zonder bouwtekeningen. Het klimaat in Brasília zorgt echter voor genoeg onderhoudswerkzaamheden en zo kan het dorp zich nog redelijk in stand houden.

De meeste mensen die op het moment als medium voor de Vale werken zijn al vanaf het begin bij het gebeuren betrokken. Neiva startte een weeshuis in het dorp, dat op dit moment nog voor wat minimale jonge aanwas zorgt, maar het is goed voelbaar dat het hoogtepunt achter de rug is. In Neiva’s voormalige huis is een museum ingericht waar de geschiedenis van de Vale do Amanhecer in foto’s getoond wordt. Op sommige foto’s uit de jaren ’70 en ’80 zijn er bij de diensten zoveel mediums aanwezig dat je vrijwel niets meer van de bouwwerken kan zien. Zelfs paus Johannes Paulus kwam op bezoek en gaf Neiva per brief zijn goedkeuring. Hoge mediums startten in die jaren tempels in andere steden in Brazilië en zelfs in andere delen van het Amerikaanse continent.

De snelst groeiende religieuze beweging in Brazilië is de Pinkstergemeente. De flowerpower wortels van de Vale do Almanhecer zijn goed voelbaar in vergelijking tot de Pinkstergemeente. Waar de Pentecostals hun anti-homo en anti-abortus boodschappen slechts afwisselen met het op religieuze gronden aftroggelen van donaties willen de mediums van de Vale do Almanhecer je slechts net iets té graag (kosteloos) vertellen wat de geest hen vertelt over wat jou dwars zit. Jammer dat geesten blijkbaar alleen Portugees spreken, een gesprek met een Nederlands sprekende geest in Brazilië zou er zeker voor gezorgd hebben dat we lid waren geworden.

De blik van de reiziger en de vierde koning

Eén van de eerste belangrijke literaire genres in Latijns Amerika is het reisverhaal. Vanaf de 16e eeuw komen de vroege kolonisten terug vanuit ‘de Amerika’s’ naar Europa met de meest wilde verhalen over de aldaar aangetroffen flora, fauna en bevolking. Met name Brazilië speelde een grote rol in het reisverhaal gezien het nooit helemaal de bedoeling was om het land te koloniseren (plunderen was in eerste instantie het primaire doel) en een groot deel van de bezoekers dus ook weer terug kwam naar Europa.

Het bekendste reisverhaal moet wel Daniel Defoe’s Robinson Crusoe zijn. Alhoewel het eiland waar Crusoe uiteindelijk strandt in het Caribisch Gebied ligt, was zijn vertrekpunt Brazilië. Tijdens zijn schipbreuk vergelijkt hij de situaties die hij aantreft dan ook steeds met ofwel zijn eindbestemming Engeland danwel met zijn vertrekpunt Brazilië (Brazilië wordt 46 keer genoemd in het boek).

De verhalen die een eeuw eerder gepubliceerd werden zijn fantastischer van aard. Naast de al eerder genoemde beschrijvingen van kannibalisme worden er door verschillende auteurs allerhande monsters beschreven. De zeeleeuw (!) is specifiek doelwit van demonisering (opmerkelijk gezien in Europa de zeehond voorkomt, een dier wat erg veel op de zeeleeuw lijkt). Het dier wordt beschreven als een ‘enorme man met een hondenkop’, met ‘verschrikkelijke klauwen’ en een ‘staart als van een vis’. Het dier wordt door de lokale held met gevaar voor eigen leven gedood en de getuigen van dit gevecht – evenals de held zelf – worden na afloop zo gek dat ze het gesticht in moeten. Twee noemenswaardige auteurs die dit monster beschreven zijn Pero Magalhães de Gandavo en Gabriel Soares de Sousa.

Vanaf de 17e eeuw wordt de toon van het reisverhaal een stuk politieker. Mensen als António Vieira (naast schrijver een zeer gewaardeerd diplomaat) houden zich bezig met het creëren van een christelijk ideologisch verhaal wat het mogelijk maakt de nieuwe wereld op te nemen in het bekende verhaal van de bestaande evangelies. Hierin wordt ook een (religieuze) basis gecreëerd voor de slavernij. Deze schrijvers zien het monster niet langer als iets dat op een verschrikkelijke manier verschilt van een mens, maar als een mens die op een verschrikkelijke manier verschilt van ‘de mens zoals door God geschapen’. Door de indianen af te schilderen als een stel barbaarse, heidense en simpele mensen (eventueel ook nog bezeten door demonen) werd de grond gelegd voor een grootschalig ‘correctieproces’ wat tot op de dag van vandaag doorspeelt in beleidsvoering.

De blik van de reiziger is een blik op de ander. Alles aan de ander is vreemd, behalve de vorm: de ander is herkenbaar als een mens. Zo gezegd komt het idee van ‘de ander‘ erg dicht bij Freud’s idee van Das Unheimliche, wat helaas ruim 4 eeuwen te laat is opgeschreven.

Vieira hield zich ook nog bezig met een ander ‘religieus probleem’. Jezus wordt in de Bijbel door 3 koningen erkent als ‘zoon van God’. Deze koningen staan voor de in het jaar 0 bekende werelddelen: Europa, Afrika en Azië. Geen koning van het pas 1500 jaar later ontdekte Amerika heeft Jezus dus ooit als zoon van God erkent. Daarnaast staat er nogal expliciet in de Bijbel dat de koningen afkomstig zijn van ‘de 3 werelddelen die er toe doen’. Dit gaat er maar moeilijk in bij Vieira gezien er geen ander werelddeel is waar de lokale bevolking zo snel en zo makkelijk bekeerd werd als in de Amerika’s. In zijn Sermão da Epifania (1662) geeft Vieira het antwoord: de ontdekking van de Amerika’s, het land dat door God gescheiden is van het grote continent, is de tweede epifanie (‘openbaring van de heer’ of ‘driekonigen’). Met dit slimme woordenspel kreeg Vieira het toch voor elkaar om de losse eindjes aan elkaar te breien. Helaas voor hem staan er hier in Brazilië bij de kerststallen tóch gewoon 3 koningen.