Categorie archief: Architectuur

Onwennige architectuur

Brazilië is een paradijs voor de liefhebber van modernistische architectuur. De combinatie van de enorme hoeveelheid beschikbare ruimte, het naarstig zoeken naar een nationale identiteit en de geboorte van Oscar Niemeyer hebben er in de afgelopen eeuw voor gezorgd dat het land tot een waar openlucht museum van het modernisme is verworden. Er zijn talloze boeken geschreven, vele lezingen gegeven en een ontelbaar aantal dingen gezegd over dit onderwerp. Weinigen hebben zich echter gewaagd aan een gotieke blik op de modernistische architectuur.

Gotieke (of gotische) architectuur kreeg haar naam van Giorgio Vasari die daarmee vooral wilde aangeven dat het hier om een barbaarse vorm van architectuur gaat. Vasari behoorde in de 16e eeuw tot een groep architecten die de geometrische en evenwijdige vormen van de Grieken en Romeinen in ere hadden hersteld. Onder gotieke architectuur viel voor deze groep alles wat in de donkere eeuwen daarvoor gebouwd was. Het woord ‘gotiek’ leidde Vasari af van de Goten, een Germaanse stam die verantwoordelijk wordt gehouden voor de val van Rome en daarmee het begin van de ‘barbaarse’ middeleeuwen. Gotieke architectuur valt qua vorm te generaliseren door het veelvuldig gebruik van de gebroken boog (spitsboog) en de grillige, naturalistische vormen die met name de grotere bouwwerken vaak hadden. Een gotiek bouwwerk moest met al haar ramen  vooral ontzag voor het onzichtbare wekken bij haar gebruikers. In een gotieke kathedraal moest je God als het ware kunnen voelen.

Bekeken vanuit een puur katholiek christelijk perspectief klinkt dat uiteraard allemaal heel leuk en aardig, maar iedereen die wel eens een echte gotieke kathedraal heeft bezocht herkent de goddelijke overweldiging waarschijnlijk eerder als een gevoel van ontheemding. Naast de donkerdere en mystiekere afbeeldingen van het evangelie die de muren sierden in die tijd draagt de verhouding tussen het bouwwerk en het menselijk lichaam daar aan bij. Sommige kathedralen zijn zo hoog, groot of weldadig gedecoreerd dat dit als mens niet meer in één waarneming te vatten is. Soortgelijke situaties in de natuur vind je bijvoorbeeld in de woestijn, de jungle of op uitgestrekte ijsvlaktes. Denk bijvoorbeeld aan de schilderijen van Caspar David Friedrich. Zijn landschappen (al dan niet met gotieke ruïne) proberen dit gevoel over te brengen. De filosofen Edmund Burke en Immanuel Kant hebben geprobeerd deze toch wel heel erg zintuigelijke aangelegenheid te vangen in tekst. Dat deden ze door een vernieuwde definitie van het sublieme op te stellen. Kort gezegd beschreven Burke en Kant het sublieme als een schoonheid die pijn doet.

Ook modernistische architectuur kan je een vergelijkbaar ontheemd gevoel geven. Bouwwerken kunnen soms zó hoog, groot, weids of zelfs transparant zijn dat je als gebruiker van zo’n gebouw eigenlijk nooit weet waar je precies in het gebouw bent, je het gevoel hebt constant bekeken te worden of meer het idee hebt dat je in een kathedraal bent in plaats van in een ordinair kantoorpand. Daarnaast speelt ook het ontwerp van de (publieke) ruimte rondom deze gebouwen een grote rol binnen het modernistische totaalplaatje. Al lopend door bijvoorbeeld Brasília, krijg je hier dan ook al snel genoeg een ontheemd gevoel. In de auto is het uiteindelijk al niet veel beter. Rijdend van bezienswaardigheid naar bezienswaardigheid ben je in de auto beter op je plek dan lopend, maar zodra je een van de vleugels van het vliegtuig (Brasília is ontworpen in de vorm van een vliegtuig) binnenrijd slaat de vervreemding weer toe.

Bij zo’n beetje elke afslag die je neemt bekruipt je het gevoel dat je al eerder in de straat die voor je ligt bent geweest. De oorzaak van dit ‘Groundhog Day‘ gevoel ligt bij de strakke planologie van de stad. De horizontale lanen in de vleugels van het vliegtuig zijn bedoeld voor appartementen en de verticale, kortere, straatjes voor winkels. Alle gebouwen zijn exact hetzelfde en de straten hebben geen namen maar letters en nummers.

Zowel in een gotieke kathedraal als bij een modernistisch bouwwerk ligt de beleving van haar schoonheid erg dicht bij dit gevoel van ontheemding. Je zou misschien zelfs kunnen stellen dat de extreme mate van aandacht voor schoonheid bij zowel gotieke als modernistische architectuur leidt tot een bepaalde mate van vervreemding.

Eén van de dingen die de moderne tijd kenmerkt is de opkomst van de psychiatrie. Een boegbeeld van de psychiatrie is natuurlijk Sigmund Freud. Freud dacht veel na over angsten en een van de concepten waar hij mee op de proppen kwam was een beschrijving van das unheimliche (in het Engels the uncanny, wij hebben het vrijelijk naar het Nederlands vertaald als het onwennige). Unheimlich is dat wat op een angstwekkende manier bekend is. Denk bijvoorbeeld aan een dubbelganger of aan een bekende die onherkenbaar verminkt is.

In de verbinding van modernistische architectuur en planologie aan de gotieke architectuur die wij proberen te maken liggen zowel het unheimliche als het sublieme ten grondslag. Als iets ontworpen is met strikte ethische en esthetische uitgangspunten en doeleinden is er een grote kans dat gebruikers van zo’n gebouw zich onwennig voelen in die omgeving (zie bijvoorbeeld Jacques Tati’s Play Time) of, als de gestelde doeleinden niet bereikt worden, dat mensen hun eigen manier van gebruik uitvinden (denk aan de vele mislukte woonwijken opgezet volgens de modernistische ideologie). Waar het eerste een voorbeeld is van een modernistische versie van het sublieme is het tweede een voorbeeld van een (post-)moderne unheimlichkeit.

Iemand die veel werkte met dit uitgangspunt was de Britse schrijver J.G. Ballard. Regisseur David Cronenberg verfilmde zijn boek Crash, over een groep mensen die een er fetisj voor auto ongelukken en de daardoor veroorzaakte verwondingen op na houden. Het Stedelijk Museum Bureau in Amsterdam deed in 2007 een project met kunstenaar Chris Evans op basis van Ballard’s boek Concrete Island over een man die gevangen raakt op een stukje land tussen allerlei snelwegen in. Een nog beter voorbeeld van een gotieke blik op modernistische architectuur geeft hij in High Rise, waarin hij de devaluatie van een groep vermogende mensen woonachtig in de modernste wolkenkrabber beschrijft (wat qua verhaal verdacht veel lijkt op Cronenberg’s film Shivers).

Het Brasília van de lage landen – de Bijlmer – is tijdig onder handen genomen om Ballardiaanse toestanden te voorkomen. Een grote fout, aldus Ballard zelf: de enige manier om de totaal vast geplande ‘Architecture of Death’ te ontstijgen is door mensen er hun gang te laten gaan. Uiteindelijk zal er een nieuwe manier ontstaan waarop de kapot-ontworpen versie van de modernistische architectuur een bruikbare functie krijgt voor de mensheid, je moet de mensheid echter wel eerst de kans geven die manier te vinden, aldus Ballard. En zo precies verging het ook de gotieke architectuur: na ongeveer 300 jaar als barbaars en waardeloos bestempeld te zijn leefde ze weer helemaal op toen de tijd daar rijp voor was. Zozeer zelfs dat er naast architectuur ook een gotieke literatuur ontstond en zelfs kortstondig een gotieke politieke partij bestond in het 18e eeuwse England. Gewoon laten staan dus, dat Kleiburg, de hoogtijdagen van het modernisme moeten namelijk nog komen.

Zwart gouden mythes

Tijdens de zoektocht naar waar Braziliaanse Gotieke literatuur haar wortels heeft en wat haar hedendaagse vorm zou kunnen zijn, kwamen we terecht in Ouro Preto, een klein stadje midden in de bergen van de staat Minas Gerais. Ouro Preto staat bekend om de conservering van de Braziliaanse Barokke architectuur en de ongelofelijke hoeveelheid kerken in de stad. Vanaf het moment dat je de bus uitstapt tot het moment van vertrek zijn het de kerken en de mythes van het stadje die je bezig houden.

Ouro Preto, wat Zwart Goud betekent, stamt uit de 17e eeuw, de tijd dat de goudmijnen overuren draaiden en de verschillende religieuze groeperingen in de stad voldoende kapitaal bezaten om grote tot zeer grote versierde kerken te bouwen; elk in een eigen, overladen, Barokke stijl. Het is bijzonder om door de ongelofelijk steile straatjes te zwerven en steeds weer een grote kerk te zien. Je vraagt je af hoe ze in godsnaam in dit steile bergstadje zulke kolossale gebouwen hebben weten neer te zetten.

Naast de talloze kerken waren het de zogenaamde ‘Republica’s’ die de aandacht vroegen. Ouro Preto is niet alleen een oud mijnstadje maar heeft ook een van de oudste universiteiten van het land, de Universidade Federal de Ouro Preto. Uniek aan deze universiteit zijn de bijbehorende ‘Republica’s’, de studenten woningen waarvan de opzet te vergelijken is met de Nederlandse verenigingshuizen. Na een ontgroening van de zogenaamde bixos (van bichos, ‘dieren’ in het Portugees) worden zij geaccepteerd in één van de huizen.

In de kerken zelf was het opvallend dat een aantal van hen meerdere Jezus beelden plaatste die de lijdensweg uitbeeldden, waarbij iedere Jezus figuur een pruik en een kledingstuk droeg. Ook hadden de Maria achter, en de twee figuren naast het altaar (meestal een machtig kerkvader en een non) een pruik en mantel.

De meeste beroemde beeldhouwer die dit soort religieuze beelden maakte is Aleijadinho. Hij maakte de beelden voor de centraal gelegen ‘Franciscus van Assisi’ kerk. Aleijadinho is om verschillende redenen een bijzondere beeldhouwer. Omdat hij ongelofelijk getalenteerd was en veel van zijn meesterwerk in de regio rond Ouro Preto te vinden is, maar meer nog door de mythe die rond zijn persoon is ontstaan. Naar het schijnt leed Aleijadinho aan lepra en maakte hij al zijn werk door gereedschap aan de uiteinden van zijn armen te binden en zich te laten verplaatsten door zijn assistenten. Zijn naam heeft hij hier ook aan te danken; Aleijadinho betekent namelijk ‘de kleine kreupele’. Het is bijna onvoorstelbaar dat deze man zoveel heeft gemaakt en het is dan wellicht ook geloofwaardiger om mee te gaan in de meest recente versie van het verhaal waarin dit personage is verzonnen door de schrijver Rodrigo Bretas, en dat het waarschijnlijk meerdere mensen zijn geweest die de beelden hebben gemaakt. Gezien binnen de context van Ouro Preto, wat op zichzelf al redelijk mytisch aandoet door de onmogelijkheid van de plek (in de hoogtij dagen bestond de omgeving uit jungle, wat hier nog een schepje bovenop doet), past de mythische figuur van Aleijadinho maar al te goed.

Na een dagje Barok werd het ons ook duidelijk dat de Braziliaanse Gotiek niet zo snel in deze oude gebouwen terug te vinden is maar waarschijnlijk veel meer voortkomt uit de spanning die ontstond bij het tot stand komen van het onafhankelijke Brazilië; een wigwam in het oerwoud lijkt in deze zin beter te passen.

Een moderne ruïne

In het centrum van São Paulo staat Edifício Copan, een door Oscar Niemeyer ontworpen flatgebouw. Door haar opvallende verschijning – hoog, gebouwd in golf-vorm, met karakteristieke ‘betonnen lamellen’ aan de buitenkant – is Copan een van de iconen van modernistische architectuur in São Paulo. Copan is kortgeleden helemaal gereviseerd en functioneert nu weer zoals ooit door Niemeyer bedoeld: huizen voor zowel de meer als minder welvarenden met op de begane grond winkels, restaurants en cafe’s die zorgen voor een bepaalde mate van sociale cohesie tussen de bewoners.

Architect Rodrigo Agostini had zo z’n eigen plannen toen hij een appartement kocht in ‘Bloco B’ (het gedeelte van Copan met kleinere appartementen). Agostini is bezig met een experiment waarbij hij met zo min mogelijk spullen probeert te leven. Bijvoorbeeld door al zijn boeken in te scannen en ze vanaf de iPhone te lezen. Na zijn leven te strippen van fysieke spullen was de volgende fase het strippen van zijn woning, iets wat in een huurhuis moeilijk gaat. Het kopen van een appartement was dan ook een noodzakelijke stap. De verhuizing ging soepel aangezien hij zo weinig spullen bezit dat hij ze met één taxirit kan verhuizen.

De muren van het strak ingedeelde huisje waren het eerste slachtoffer. Echter, alles wat wel noodzakelijk is voor Agostini blijft staan. Zo zweven de leidingen van de douche (die normaliter in de muur zitten) door de ruimte, even als de elektrische leidingen. De prachtige houten vloer heeft het moeten ontgelden, evenals de w.c. bril. Naast wat plankjes met de broodnodige spullen zoals een miniatuur wasmachine, een miniatuur kookplaat, een matras, een lamp en een laptop is het appartement bijna geheel casco. De volgende stap is het afbikken van het plamuur, waarna er eigenlijk niets meer overblijft om weg te halen. Agostini zelf evalueert zijn experiment van dag tot dag, en weet nog niet waar het zal eindigen. De grens waar hij nu tegen aanloopt levert interessante vragen op: Tot waar is het appartement van hem? Is privacy een luxe goed?

Alhoewel het experiment conceptueel gezien juist heel erg gaat over het zichtbaar maken van bepaalde dingen, is er vanuit esthetisch oogpunt een link met de ruïnes die de gotiek-aanhangende Britten in hun achtertuinen maakten in de achttiende eeuw, wat juist over een romantisch idee van een verhulde geschiedenis ging. Dat Agostini terug gaat in de tijd door het opgeven van allerhande moderne luxe, binnen de muren van één van de bekendste modernistische iconen van het land, is zeker op te vatten als een gotiek gebaar.