Het carnaval van de dood

Sinds het moment dat de Portugezen voet aan wal zetten en het project Brazilië startten zijn er altijd verhalen geweest over de doden die terugkwamen om het bestaan van de levenden te beïnvloeden. Herrezen in vlees en bloed, spotten en verleiden ze, begiftigd met een huiveringwekkende lach die niet genegeerd kan worden. Deze niet-aardse figuren kunnen in direct contact treden met diegene die hun wereldse commentaar het meest nodig heeft. De doden kunnen ongegeneerd een scherpe mening geven over de hedendaagse situatie van de levenden. Het is binnen de literatuur dan ook een personage die het mogelijk maakt kritiek te geven op de sociaal-historische ontwikkelingen van een bepaalde tijd.

Ten tijde van de grote plantages hadden zowel de eigenaren als de slaven een plaats op het terrein waar niet alleen de katholieke God werd vereerd maar ook altijd een plek was voor de verering van andere geesten en overledenen. De alleskunner Gilberto Freyre, tevens één van de belangrijkste denkers over hoe Brazilië is gevormd, beschrijft in zijn boek ‘Casa-Grande e Senzala’ (The Masters and the Slaves) hoe de doden in de koloniale tijd hun greep houden op het heden – zij ondersteunen en sturen het leven van hun kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen – en dat deze relatie met name te maken heeft met het feit dat de doden onder het huis of onder de kapel op het terrein worden begraven.

Over het algemeen wordt er vanuit gegaan dat er goede en slechte doden zijn. Een goede dode is de persoon die in het bijzijn van de familie is overleden, waarbij de rituelen worden uitgevoerd en er een begrafenis met bijbehorende processie plaatsvindt. Een slechte dode ontstaat wanneer iemand niet op het juiste moment sterft en niet de tijd heeft gehad om het wereldse leven af te ronden en zo in het reine te komen met de familie en vrienden. Zo kan een dode terugkeren als een dwalende ziel die de gemeenschap teistert en alleen verlost kan worden wanneer het probleem is opgelost. Deze dwalende zielen zijn vaak ook de onbegravenen.

In de 19e eeuw werd de relatie met de doden opgebouwd vanaf het moment van de feestelijkheden rond het vereren van de pas overledene, zoals in processies naar de begraafplaats die meer aan carnavaleske feesten deden denken dan aan een (Europese) ingetogen zwarte rouwstoet. De begrafenis praal werd aangevuld met muziek, het luiden van kerkklokken, sier-rijtuigen, vuurwerk, banketten en het licht van ontelbare kandelaren. Deze optochten zijn geïnspireerd door katholieke processies zoals die in Portugal en het Iberisch schiereiland werden gehouden en welke sterk zijn beïnvloedt door heidense elementen.

Aan het begin van de 20ste eeuw verandert de vorm van de tradities rond het sterven, met name door de strenge hygiëne regels die voorschrijven dat de doden niet meer begraven mogen worden in en rond de huizen van de levenden. Door de vele immigranten wordt de ingetogen zwarte kleding gangbaar. Ook al zijn er geen kleurrijke processies meer, in veel literatuur is het karakter van de levende dode nog aanwezig.

De meest bekende schrijver uit de 19e eeuw, die het gegeven van de levende dode als kritisch figuur de literatuur binnen heeft gebracht, is Joaquim Maria Machado de Assis met het boek ‘Memórias Póstumas de Brás Cubas (The Posthumous Memoirs of Bras Cubas). Latere schrijvers waarvan een aantal verhalen een levende dode bevatten en die ook binnen het gotieke framewerk geplaatst kunnen worden zijn Alvares de Azevedo met ‘O Impenite’ en ‘Noite na Taverna‘, Humberto de Campos met ‘The Eyes that Consumed Flesh’, Joaquim Manuel de Macedo, de toneelschrijver Ariano Suassuna, en de dichter Joao Cabral de Melo Neto. Clarice Lispector, Lya Luft en Lygia Fagundes Telles gaan met name in op de positie van de vrouw, waarbij zij de levende dode ook terug laten komen in hun verhalen.

In de publicatie ‘The Carnivalesque Defunto’ van Robert H. Moser wordt de positie van de dode tussen de levenden beschreven. Moser start zijn onderzoek vanuit zijn fascinatie voor de schrijver Nelson Rodrigues, die naast het schrijven van talloze columns over moorden in Rio de Janeiro, één van de meest belangrijke Braziliaanse theater schrijvers is van de twintigste eeuw.

Nelson Rodrigues groeide op in het kantoor van de krant van zijn familie en heeft van jongs af aan een fascinatie voor de dood en de levende dode. Door een aantal heftige ervaringen, waaronder het meemaken van de griep epidemie in Rio de Janeiro in 1918 waarbij 15.000 mensen in twee weken overleden, en de moord op zijn broer, ontwikkelt Rodrigues een saudade (verlangen/nostalgie) voor de rituelen rond de dood en de levende dode. Vanaf zijn 13e schrijft hij columns over moord en doodslag in de stad. Rodrigues’ bezorgdheid over het verlies van tradities rond de dood in de Braziliaanse maatschappij kan binnen een grotere discussie geplaatst worden die ingaat op de spanning die moderniseringsprocessen met zich mee brengen. Zijn dissidente toneelstukken kunnen dan ook gezien woorden als verwoordingen van deze problemen, vermomd in verhalen over doden die terugkomen om hun situatie te analyseren. Zijn meest bekende toneelstukken zijn ‘Beijo no Asfalto’ (Kiss on the Asphalt) waarin vermeende homoseksualiteit wordt besproken, en ‘Anjo Negro’ (Black Angel) waarin een blanke vrouw haar mulatto kinderen verdrinkt en niet om kan gaan met het feit dat haar man zwart is. Zelf hebben wij een bijzondere uitvoering gezien waarin Denise Milfont, de vrouw van Helmut Batista van Capacete, de hoofdrol speelt in ‘Valsa no. 6’ (Waltz no 6), het verhaal van een tiener die nog niet helemaal door heeft dat ze dood is. Gedurende het stuk wordt het duidelijk dat haar oom haar heeft verkracht en ze daarna is vermoord door de dokter.

De carnivalesque defunto geeft de mogelijkheid aan schrijvers om vanuit een diepgewortelde relatie met het dodenrijk kritiek te kunnen geven op hedendaagse situaties. Het is interessant dat het carnivalesque keer op keer terugkomt in Brazilië. In alle lagen en gebruiken lijkt het feestelijke te zitten, dan wel als feestelijk, dan wel als verborgen kritische noot.

Advertenties

Een Reactie op “Het carnaval van de dood

  1. Pingback: De andere Samba | Gótico Brasileiro

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s