Categorie archief: Literatuur

Onwennige architectuur

Brazilië is een paradijs voor de liefhebber van modernistische architectuur. De combinatie van de enorme hoeveelheid beschikbare ruimte, het naarstig zoeken naar een nationale identiteit en de geboorte van Oscar Niemeyer hebben er in de afgelopen eeuw voor gezorgd dat het land tot een waar openlucht museum van het modernisme is verworden. Er zijn talloze boeken geschreven, vele lezingen gegeven en een ontelbaar aantal dingen gezegd over dit onderwerp. Weinigen hebben zich echter gewaagd aan een gotieke blik op de modernistische architectuur.

Gotieke (of gotische) architectuur kreeg haar naam van Giorgio Vasari die daarmee vooral wilde aangeven dat het hier om een barbaarse vorm van architectuur gaat. Vasari behoorde in de 16e eeuw tot een groep architecten die de geometrische en evenwijdige vormen van de Grieken en Romeinen in ere hadden hersteld. Onder gotieke architectuur viel voor deze groep alles wat in de donkere eeuwen daarvoor gebouwd was. Het woord ‘gotiek’ leidde Vasari af van de Goten, een Germaanse stam die verantwoordelijk wordt gehouden voor de val van Rome en daarmee het begin van de ‘barbaarse’ middeleeuwen. Gotieke architectuur valt qua vorm te generaliseren door het veelvuldig gebruik van de gebroken boog (spitsboog) en de grillige, naturalistische vormen die met name de grotere bouwwerken vaak hadden. Een gotiek bouwwerk moest met al haar ramen  vooral ontzag voor het onzichtbare wekken bij haar gebruikers. In een gotieke kathedraal moest je God als het ware kunnen voelen.

Bekeken vanuit een puur katholiek christelijk perspectief klinkt dat uiteraard allemaal heel leuk en aardig, maar iedereen die wel eens een echte gotieke kathedraal heeft bezocht herkent de goddelijke overweldiging waarschijnlijk eerder als een gevoel van ontheemding. Naast de donkerdere en mystiekere afbeeldingen van het evangelie die de muren sierden in die tijd draagt de verhouding tussen het bouwwerk en het menselijk lichaam daar aan bij. Sommige kathedralen zijn zo hoog, groot of weldadig gedecoreerd dat dit als mens niet meer in één waarneming te vatten is. Soortgelijke situaties in de natuur vind je bijvoorbeeld in de woestijn, de jungle of op uitgestrekte ijsvlaktes. Denk bijvoorbeeld aan de schilderijen van Caspar David Friedrich. Zijn landschappen (al dan niet met gotieke ruïne) proberen dit gevoel over te brengen. De filosofen Edmund Burke en Immanuel Kant hebben geprobeerd deze toch wel heel erg zintuigelijke aangelegenheid te vangen in tekst. Dat deden ze door een vernieuwde definitie van het sublieme op te stellen. Kort gezegd beschreven Burke en Kant het sublieme als een schoonheid die pijn doet.

Ook modernistische architectuur kan je een vergelijkbaar ontheemd gevoel geven. Bouwwerken kunnen soms zó hoog, groot, weids of zelfs transparant zijn dat je als gebruiker van zo’n gebouw eigenlijk nooit weet waar je precies in het gebouw bent, je het gevoel hebt constant bekeken te worden of meer het idee hebt dat je in een kathedraal bent in plaats van in een ordinair kantoorpand. Daarnaast speelt ook het ontwerp van de (publieke) ruimte rondom deze gebouwen een grote rol binnen het modernistische totaalplaatje. Al lopend door bijvoorbeeld Brasília, krijg je hier dan ook al snel genoeg een ontheemd gevoel. In de auto is het uiteindelijk al niet veel beter. Rijdend van bezienswaardigheid naar bezienswaardigheid ben je in de auto beter op je plek dan lopend, maar zodra je een van de vleugels van het vliegtuig (Brasília is ontworpen in de vorm van een vliegtuig) binnenrijd slaat de vervreemding weer toe.

Bij zo’n beetje elke afslag die je neemt bekruipt je het gevoel dat je al eerder in de straat die voor je ligt bent geweest. De oorzaak van dit ‘Groundhog Day‘ gevoel ligt bij de strakke planologie van de stad. De horizontale lanen in de vleugels van het vliegtuig zijn bedoeld voor appartementen en de verticale, kortere, straatjes voor winkels. Alle gebouwen zijn exact hetzelfde en de straten hebben geen namen maar letters en nummers.

Zowel in een gotieke kathedraal als bij een modernistisch bouwwerk ligt de beleving van haar schoonheid erg dicht bij dit gevoel van ontheemding. Je zou misschien zelfs kunnen stellen dat de extreme mate van aandacht voor schoonheid bij zowel gotieke als modernistische architectuur leidt tot een bepaalde mate van vervreemding.

Eén van de dingen die de moderne tijd kenmerkt is de opkomst van de psychiatrie. Een boegbeeld van de psychiatrie is natuurlijk Sigmund Freud. Freud dacht veel na over angsten en een van de concepten waar hij mee op de proppen kwam was een beschrijving van das unheimliche (in het Engels the uncanny, wij hebben het vrijelijk naar het Nederlands vertaald als het onwennige). Unheimlich is dat wat op een angstwekkende manier bekend is. Denk bijvoorbeeld aan een dubbelganger of aan een bekende die onherkenbaar verminkt is.

In de verbinding van modernistische architectuur en planologie aan de gotieke architectuur die wij proberen te maken liggen zowel het unheimliche als het sublieme ten grondslag. Als iets ontworpen is met strikte ethische en esthetische uitgangspunten en doeleinden is er een grote kans dat gebruikers van zo’n gebouw zich onwennig voelen in die omgeving (zie bijvoorbeeld Jacques Tati’s Play Time) of, als de gestelde doeleinden niet bereikt worden, dat mensen hun eigen manier van gebruik uitvinden (denk aan de vele mislukte woonwijken opgezet volgens de modernistische ideologie). Waar het eerste een voorbeeld is van een modernistische versie van het sublieme is het tweede een voorbeeld van een (post-)moderne unheimlichkeit.

Iemand die veel werkte met dit uitgangspunt was de Britse schrijver J.G. Ballard. Regisseur David Cronenberg verfilmde zijn boek Crash, over een groep mensen die een er fetisj voor auto ongelukken en de daardoor veroorzaakte verwondingen op na houden. Het Stedelijk Museum Bureau in Amsterdam deed in 2007 een project met kunstenaar Chris Evans op basis van Ballard’s boek Concrete Island over een man die gevangen raakt op een stukje land tussen allerlei snelwegen in. Een nog beter voorbeeld van een gotieke blik op modernistische architectuur geeft hij in High Rise, waarin hij de devaluatie van een groep vermogende mensen woonachtig in de modernste wolkenkrabber beschrijft (wat qua verhaal verdacht veel lijkt op Cronenberg’s film Shivers).

Het Brasília van de lage landen – de Bijlmer – is tijdig onder handen genomen om Ballardiaanse toestanden te voorkomen. Een grote fout, aldus Ballard zelf: de enige manier om de totaal vast geplande ‘Architecture of Death’ te ontstijgen is door mensen er hun gang te laten gaan. Uiteindelijk zal er een nieuwe manier ontstaan waarop de kapot-ontworpen versie van de modernistische architectuur een bruikbare functie krijgt voor de mensheid, je moet de mensheid echter wel eerst de kans geven die manier te vinden, aldus Ballard. En zo precies verging het ook de gotieke architectuur: na ongeveer 300 jaar als barbaars en waardeloos bestempeld te zijn leefde ze weer helemaal op toen de tijd daar rijp voor was. Zozeer zelfs dat er naast architectuur ook een gotieke literatuur ontstond en zelfs kortstondig een gotieke politieke partij bestond in het 18e eeuwse England. Gewoon laten staan dus, dat Kleiburg, de hoogtijdagen van het modernisme moeten namelijk nog komen.

Advertenties

De blik van de reiziger en de vierde koning

Eén van de eerste belangrijke literaire genres in Latijns Amerika is het reisverhaal. Vanaf de 16e eeuw komen de vroege kolonisten terug vanuit ‘de Amerika’s’ naar Europa met de meest wilde verhalen over de aldaar aangetroffen flora, fauna en bevolking. Met name Brazilië speelde een grote rol in het reisverhaal gezien het nooit helemaal de bedoeling was om het land te koloniseren (plunderen was in eerste instantie het primaire doel) en een groot deel van de bezoekers dus ook weer terug kwam naar Europa.

Het bekendste reisverhaal moet wel Daniel Defoe’s Robinson Crusoe zijn. Alhoewel het eiland waar Crusoe uiteindelijk strandt in het Caribisch Gebied ligt, was zijn vertrekpunt Brazilië. Tijdens zijn schipbreuk vergelijkt hij de situaties die hij aantreft dan ook steeds met ofwel zijn eindbestemming Engeland danwel met zijn vertrekpunt Brazilië (Brazilië wordt 46 keer genoemd in het boek).

De verhalen die een eeuw eerder gepubliceerd werden zijn fantastischer van aard. Naast de al eerder genoemde beschrijvingen van kannibalisme worden er door verschillende auteurs allerhande monsters beschreven. De zeeleeuw (!) is specifiek doelwit van demonisering (opmerkelijk gezien in Europa de zeehond voorkomt, een dier wat erg veel op de zeeleeuw lijkt). Het dier wordt beschreven als een ‘enorme man met een hondenkop’, met ‘verschrikkelijke klauwen’ en een ‘staart als van een vis’. Het dier wordt door de lokale held met gevaar voor eigen leven gedood en de getuigen van dit gevecht – evenals de held zelf – worden na afloop zo gek dat ze het gesticht in moeten. Twee noemenswaardige auteurs die dit monster beschreven zijn Pero Magalhães de Gandavo en Gabriel Soares de Sousa.

Vanaf de 17e eeuw wordt de toon van het reisverhaal een stuk politieker. Mensen als António Vieira (naast schrijver een zeer gewaardeerd diplomaat) houden zich bezig met het creëren van een christelijk ideologisch verhaal wat het mogelijk maakt de nieuwe wereld op te nemen in het bekende verhaal van de bestaande evangelies. Hierin wordt ook een (religieuze) basis gecreëerd voor de slavernij. Deze schrijvers zien het monster niet langer als iets dat op een verschrikkelijke manier verschilt van een mens, maar als een mens die op een verschrikkelijke manier verschilt van ‘de mens zoals door God geschapen’. Door de indianen af te schilderen als een stel barbaarse, heidense en simpele mensen (eventueel ook nog bezeten door demonen) werd de grond gelegd voor een grootschalig ‘correctieproces’ wat tot op de dag van vandaag doorspeelt in beleidsvoering.

De blik van de reiziger is een blik op de ander. Alles aan de ander is vreemd, behalve de vorm: de ander is herkenbaar als een mens. Zo gezegd komt het idee van ‘de ander‘ erg dicht bij Freud’s idee van Das Unheimliche, wat helaas ruim 4 eeuwen te laat is opgeschreven.

Vieira hield zich ook nog bezig met een ander ‘religieus probleem’. Jezus wordt in de Bijbel door 3 koningen erkent als ‘zoon van God’. Deze koningen staan voor de in het jaar 0 bekende werelddelen: Europa, Afrika en Azië. Geen koning van het pas 1500 jaar later ontdekte Amerika heeft Jezus dus ooit als zoon van God erkent. Daarnaast staat er nogal expliciet in de Bijbel dat de koningen afkomstig zijn van ‘de 3 werelddelen die er toe doen’. Dit gaat er maar moeilijk in bij Vieira gezien er geen ander werelddeel is waar de lokale bevolking zo snel en zo makkelijk bekeerd werd als in de Amerika’s. In zijn Sermão da Epifania (1662) geeft Vieira het antwoord: de ontdekking van de Amerika’s, het land dat door God gescheiden is van het grote continent, is de tweede epifanie (‘openbaring van de heer’ of ‘driekonigen’). Met dit slimme woordenspel kreeg Vieira het toch voor elkaar om de losse eindjes aan elkaar te breien. Helaas voor hem staan er hier in Brazilië bij de kerststallen tóch gewoon 3 koningen.

Het carnaval van de dood

Sinds het moment dat de Portugezen voet aan wal zetten en het project Brazilië startten zijn er altijd verhalen geweest over de doden die terugkwamen om het bestaan van de levenden te beïnvloeden. Herrezen in vlees en bloed, spotten en verleiden ze, begiftigd met een huiveringwekkende lach die niet genegeerd kan worden. Deze niet-aardse figuren kunnen in direct contact treden met diegene die hun wereldse commentaar het meest nodig heeft. De doden kunnen ongegeneerd een scherpe mening geven over de hedendaagse situatie van de levenden. Het is binnen de literatuur dan ook een personage die het mogelijk maakt kritiek te geven op de sociaal-historische ontwikkelingen van een bepaalde tijd.

Ten tijde van de grote plantages hadden zowel de eigenaren als de slaven een plaats op het terrein waar niet alleen de katholieke God werd vereerd maar ook altijd een plek was voor de verering van andere geesten en overledenen. De alleskunner Gilberto Freyre, tevens één van de belangrijkste denkers over hoe Brazilië is gevormd, beschrijft in zijn boek ‘Casa-Grande e Senzala’ (The Masters and the Slaves) hoe de doden in de koloniale tijd hun greep houden op het heden – zij ondersteunen en sturen het leven van hun kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen – en dat deze relatie met name te maken heeft met het feit dat de doden onder het huis of onder de kapel op het terrein worden begraven.

Over het algemeen wordt er vanuit gegaan dat er goede en slechte doden zijn. Een goede dode is de persoon die in het bijzijn van de familie is overleden, waarbij de rituelen worden uitgevoerd en er een begrafenis met bijbehorende processie plaatsvindt. Een slechte dode ontstaat wanneer iemand niet op het juiste moment sterft en niet de tijd heeft gehad om het wereldse leven af te ronden en zo in het reine te komen met de familie en vrienden. Zo kan een dode terugkeren als een dwalende ziel die de gemeenschap teistert en alleen verlost kan worden wanneer het probleem is opgelost. Deze dwalende zielen zijn vaak ook de onbegravenen.

In de 19e eeuw werd de relatie met de doden opgebouwd vanaf het moment van de feestelijkheden rond het vereren van de pas overledene, zoals in processies naar de begraafplaats die meer aan carnavaleske feesten deden denken dan aan een (Europese) ingetogen zwarte rouwstoet. De begrafenis praal werd aangevuld met muziek, het luiden van kerkklokken, sier-rijtuigen, vuurwerk, banketten en het licht van ontelbare kandelaren. Deze optochten zijn geïnspireerd door katholieke processies zoals die in Portugal en het Iberisch schiereiland werden gehouden en welke sterk zijn beïnvloedt door heidense elementen.

Aan het begin van de 20ste eeuw verandert de vorm van de tradities rond het sterven, met name door de strenge hygiëne regels die voorschrijven dat de doden niet meer begraven mogen worden in en rond de huizen van de levenden. Door de vele immigranten wordt de ingetogen zwarte kleding gangbaar. Ook al zijn er geen kleurrijke processies meer, in veel literatuur is het karakter van de levende dode nog aanwezig.

De meest bekende schrijver uit de 19e eeuw, die het gegeven van de levende dode als kritisch figuur de literatuur binnen heeft gebracht, is Joaquim Maria Machado de Assis met het boek ‘Memórias Póstumas de Brás Cubas (The Posthumous Memoirs of Bras Cubas). Latere schrijvers waarvan een aantal verhalen een levende dode bevatten en die ook binnen het gotieke framewerk geplaatst kunnen worden zijn Alvares de Azevedo met ‘O Impenite’ en ‘Noite na Taverna‘, Humberto de Campos met ‘The Eyes that Consumed Flesh’, Joaquim Manuel de Macedo, de toneelschrijver Ariano Suassuna, en de dichter Joao Cabral de Melo Neto. Clarice Lispector, Lya Luft en Lygia Fagundes Telles gaan met name in op de positie van de vrouw, waarbij zij de levende dode ook terug laten komen in hun verhalen.

In de publicatie ‘The Carnivalesque Defunto’ van Robert H. Moser wordt de positie van de dode tussen de levenden beschreven. Moser start zijn onderzoek vanuit zijn fascinatie voor de schrijver Nelson Rodrigues, die naast het schrijven van talloze columns over moorden in Rio de Janeiro, één van de meest belangrijke Braziliaanse theater schrijvers is van de twintigste eeuw.

Nelson Rodrigues groeide op in het kantoor van de krant van zijn familie en heeft van jongs af aan een fascinatie voor de dood en de levende dode. Door een aantal heftige ervaringen, waaronder het meemaken van de griep epidemie in Rio de Janeiro in 1918 waarbij 15.000 mensen in twee weken overleden, en de moord op zijn broer, ontwikkelt Rodrigues een saudade (verlangen/nostalgie) voor de rituelen rond de dood en de levende dode. Vanaf zijn 13e schrijft hij columns over moord en doodslag in de stad. Rodrigues’ bezorgdheid over het verlies van tradities rond de dood in de Braziliaanse maatschappij kan binnen een grotere discussie geplaatst worden die ingaat op de spanning die moderniseringsprocessen met zich mee brengen. Zijn dissidente toneelstukken kunnen dan ook gezien woorden als verwoordingen van deze problemen, vermomd in verhalen over doden die terugkomen om hun situatie te analyseren. Zijn meest bekende toneelstukken zijn ‘Beijo no Asfalto’ (Kiss on the Asphalt) waarin vermeende homoseksualiteit wordt besproken, en ‘Anjo Negro’ (Black Angel) waarin een blanke vrouw haar mulatto kinderen verdrinkt en niet om kan gaan met het feit dat haar man zwart is. Zelf hebben wij een bijzondere uitvoering gezien waarin Denise Milfont, de vrouw van Helmut Batista van Capacete, de hoofdrol speelt in ‘Valsa no. 6’ (Waltz no 6), het verhaal van een tiener die nog niet helemaal door heeft dat ze dood is. Gedurende het stuk wordt het duidelijk dat haar oom haar heeft verkracht en ze daarna is vermoord door de dokter.

De carnivalesque defunto geeft de mogelijkheid aan schrijvers om vanuit een diepgewortelde relatie met het dodenrijk kritiek te kunnen geven op hedendaagse situaties. Het is interessant dat het carnivalesque keer op keer terugkomt in Brazilië. In alle lagen en gebruiken lijkt het feestelijke te zitten, dan wel als feestelijk, dan wel als verborgen kritische noot.

Brazilië; de perfecte kannibaal

Only cannibalism unites us. Socially. Economically. Philosophically. Tupi or not Tupi, that is the question.
(Oswald de Andrade, Manifesto Antropófago)

Brazilië, het naar (eigen) zeggen mooiste land ter wereld met een cultuur die niet meer los te denken is van het begrip kannibalisme. Sinds het Manifesto Antropófago (het kannibalistisch manifest) dat de modernistische dichter en polemist Oswald de Andrade in 1928 schreef lijkt kannibalisme met name een zeer goede manier om een bijzonder eigenzinnige en gemêleerde cultuur te krijgen.

De eerste overleveringen van kannibalisme in Brazilië zijn opgetekend door de Duitse avonturier en zeeman Hans Staden in zijn boek Wahrhaftige Historia. Hij leefde in 1552 negen maanden als gevangene bij de Tupi indianen en wist op bijzondere wijze zijn noodlot als avondmaal af te wenden door op slimme manier zijn godsdienstigheid in te zetten. Tijdens zijn verblijf zag Staden hoe de Tupi leefden – in korte dagboek fragmenten vertelt hij over alle gebruiken en tradities van de stam – en hoe zij hun vijanden gevangen namen, vetmesten, beschilderden en opaten. Op basis van latere beschrijvingen en antropologisch onderzoek wordt verondersteld dat de indianen diegenen van een andere stam opaten die sterker waren of die jaloezie veroorzaakten. Door de vijand op te eten verkreeg hij die het vlees at een beetje van zijn kracht en zo werdt het karakter sterker. Je zou kunnen zeggen dat het een manier is om een complex karakter te ontwikkelen en te leren van de ander door de ander te verteren. Hans Staden vertelt in zijn boek dat de man die de te eten vijand doodsloeg de naam kreeg van het slachtoffer. Hoe meer namen iemand bezat, hoe belangrijker hij was.

Kannibalisme komt niet alleen in Brazilië voor maar het verhaal van Staden heeft wel tot inspiratie en onderzoek geleid. Zoals beschreven in de post over ‘amazonspoitation’ is het Amazonegebied lang bestudeerd en heeft het Staden verhaal ook geleid tot films als Cannibal Holocaust.

Kannibalisme wordt over het algemeen gezien als barbaars, beoefend door wilden. Interessant is de link naar het Christendom en de eucharistie, waarbij het brood en de wijn het symbool zijn voor het lichaam en bloed van Jezus.
Je zou dus kunnen zeggen dat de goed geaarde Gristen zich iedere week schuldig maakt aan kannibalisme en dus zijn christenen eigenlijk net zo primitief als de zogenaamde kannibalen in de jungle van Brazilië. Uiteraard zal de kerk dit tegenspreken en zichzelf ver boven het brute gedrag van de naakte inboorling stellen.

Ook al wordt kannibalisme niet direct gelinkt aan gekte, toch zegt het gezond verstand dat het van de gekken is om een mens te eten. Het verhaal ‘Survival Type’ van Stephen King speelt op een redelijk uitvergrote manier met de relatie tussen de twee. Chirurg Richard Pine strandt op een onbewoond en onvruchtbaar eiland. Het enige dat hij bij zich heeft is een koffer met instrumenten en een grote hoeveelheid heroïne die bedoeld was voor de verkoop. Na een val waarbij hij zijn enkel breekt is hij gedwongen zijn voet zelfstandig te amputeren om te overleven. Door honger geteisterd ziet hij geen andere uitweg dan zijn eigen voet te eten. Dit is het begin van een krankzinnige aftakeling waarin Richard onder de invloed van grote hoeveelheden drugs zijn eigen lichaam steeds verder opeet om zijn honger te stillen, zijn verstand verliest en als een stomp met een arm kwijlend en brabbelend als waanzinnige kannibaal eindigt.
Het blijft uiteindelijk lastig om kannibalisme met gekte te vergelijken omdat de klassieke gek vaak ontoerekeningsvatbaar is en klassiek kannibalisme om zeer rationele beslissingen gaat. Het is echter maar de vraag of het verlangen iemand op te eten zoals te zien is bij de Duitse Armin Meiwes volledig buiten het domein van de dwaasheid te plaatsten is.

Terug naar Brazilië en het idee van Oswald de Andrade. Hij stelt heel basaal dat Brazilië een smeltkroes is van alle verschillende culturen die in dit gigantische land samen zijn gekomen, en dat het beter is om daaruit een nieuwe en unieke cultuur te vormen dan naar kolonisator Europa te kijken in een poging de Europese cultuur te behouden. Net als het opnemen van de kennis van de ander door deze op te eten, moeten de culturen die naar Brazilië zijn gebracht worden verteerd om zo complexer en rijker als nieuwe vorm door te ontwikkelen. Door de ander te verteren is het mogelijk de ander te begrijpen en op te nemen in een complexere cultuur waarin de ander één wordt met de bestaande cultuur. Volgens Oswald de Andrade is dit de manier om de perfecte Braziliaan te scheppen.

Het Manifesto Antropófago is nog steeds van grote invloed in de Braziliaanse kunstwereld vandaag de dag. Het lijkt helaas op dit moment meer op het herkauwen van de geniale vondsten van kunstenaars als Helio Oiticica en Lygia Clark, die in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw met een sociaal politieke blik teruggrijpen op het manifest, dan op het werkelijk verteren en uitpoepen van een nieuwe vorm. Dit eerste terugkijken op het modernisme uit zich in de Tropicalia beweging waar filmmakers, muzikanten, theatermakers en kunstenaars onder worden gerekend. Twee werken uit deze tijd zijn de film Macunaíma van Joaquim Pedro de Andrade en het theaterstuk Macumba Antropofaga, dat tot op de dag van vandaag uitgevoerd door Teatro Oficina. Beiden herinterpreteren het manifest van Oscar de Andrade, gecombineerd met het boek ‘Macunaíma’ van Mario de Andrade.

Anno 2011 is het in de muziek het beste gelukt om kannibalistisch bezig te blijven. DJ’s en muzikanten schromen niet om alle soorten muziek te combineren en creëren keer op keer de meest waanzinnige nieuwe stijlen zoals de Bossa Nova en Funk Carioca.

Het blijft fascinerend om te denken dat je meer kennis vergaart door de ander op te eten. Mits goed bereid is het de ultieme manier om het nuttige met het aangename te verenigen. Helaas hebben wij  een aangeleerde afkeer van het eten van onze eigen soort.

Braziliaanse Gotiek

Niet iedereen kan zich direct iets voorstellen bij het horen van de woorden ‘Braziliaanse gotiek’ (misschien hoogstens iets met de Latijns-Amerikaanse Death Metal beweging). Toegegeven, de stap van koude, mistige, en spookachtige ruïnes in het achttiende-eeuwse Engeland naar een tropisch land bekend om haar carnaval, caipirinha’s, Copacabana en voetbal is een grote om in een keer te nemen. Wellicht dat een kleine tussenstap in de zuidelijke staten van Noord-Amerika de boel al wat verhelderd (zie de blog over ons project rondom Southern Gothic) gezien we ook in dat gebied kunnen spreken van een zonovergoten gotiek. Desalniettemin is een kleine introductie op z’n plaats.

Er zijn een aantal verschillende manieren om het idee van een Braziliaanse gotiek te benaderen. Zo bekijkt de Amerikaanse literatuur wetenschapper Carolyn Kendrick-Alcántara het ontstaan van een gotieke literatuur in het laat negentiende eeuwse Brazilië vooral vanuit de positie van de vrouw binnen de sterk patriarchale samenleving. In haar proefschrift ‘Life Among the Living Dead: The Gothic Horrors of Latin American Literature‘ schetst Kendrick-Alcántara een op de theorieën van Spivak steunend beeld van een literatuur waarvan de sociale kritiek pas in de tweede helft van de twintigste eeuw werd ‘ontdekt’. Kort gezegd zit het gotieke volgens haar in de manier waarop deze vrouwelijke auteurs in hun verhalen het groteske, sublieme en bovennatuurlijke aanwendden om hun onontkoombare sociale positie te duiden. Kendrick-Alcántara introduceert het begrip van de ‘levende dode’, waarmee ze doelt op personages die volgens de natuurwetten levend, maar emotioneel dood zijn.

Een andere ingang vonden wij in de publicatie ‘The Carnivalesque Defunto‘ van Brazilië-specialist Robert H. Moser. De ‘Carnavaleske Dood’ is een wederkerend motief in Braziliaanse literatuur: de hoofdpersoon of verteller keert terug uit de dood om de levenden te verleiden, te instrueren, of ouderwets dwars te zitten. Deze Carnavaleske Dood past niet strikt binnen het gotieke vanwege de sensuele en lichte ondertoon die dit karakter met zich meebrengt. Juist vanwege deze ondertoon zou de Carnavaleske Dood wel eens heel goed bij het opgewekte, verleidelijke karakter van Brazilië kunnen passen en zo een heel geschikte ingang kunnen bieden om de meer wringende, gotieke elementen te kunnen duiden.

Brazilië blijkt een vruchtbaar land voor eigenzinnige religies. Gotiek is geenszins een religieuze aangelegenheid (althans niet binnen de manier waarop wij het begrip hanteren), maar religie, in diverse vormen en gradaties, is een terugkerend element binnen gotieke verhalen. Candomblé is een mix tussen Katholicisme en verschillende Afrikaanse en inheemse Braziliaanse religies en gebruiken. Qua ingrediënten doet het aan Voudou denken maar Candomblé heeft zich volledig onafhankelijk ontwikkeld. Gezien de grote hoeveelheid aanhangers die Candomblé heeft en de specifieke aankleding die de rituelen hebben is dit voor ons zeker een belangrijk fenomeen om onder de loep te nemen.

Naast Candomblé is er nog een andere belangrijke religieuze groepering die we willen bezoeken vanwege haar opvallende verschijning: de ‘Vale do Amanhecer‘ (de vallei van de zonsopgang). Deze sekte is in de jaren zestig van de vorige eeuw opgericht door de eerste vrouwelijke vrachtwagenchauffeur van het land. Alle leden wonen in een speciaal dorp vlakbij de hoofdstad Brasilía. Temidden van allerlei religieuze sculpturen en bouwsels genezen ze bezoekers en houden ze tijdens volle maan processies. Hun religie bestaat uit een eclectische mix van zo’n beetje alles wat als new-age geduid kan worden.

Tot nu toe is wellicht het meest gotieke beeld wat we zijn tegengekomen dat van de mythes rond de stinkend rijken in São Paulo. Wonend in de penthouses van de vele wolkenkrabbers in deze megalopolis verplaatsen ze zich per helikopter van gebouw naar gebouw. Een aantal van hen hebben huisarrest vanwege megalomane corruptieschandalen. Door de afkeer van en totale desinteresse in het zich op straat begevende plebs lijken deze mensen toch al niet van plan het huis te verlaten en zodoende kan je je afvragen in hoeverre dit huisarrest als een straf gezien moet worden. Hun miljoenenondernemingen kunnen uiteraard ook via skype bestiert worden. Het idee van de stad zoals voorgesteld in donkere sci-fi films zoals Blade Runner komt dan akelig dichtbij.