Categorie archief: Rio de Janeiro

De ruïne van het Atlantische regenwoud

Het bos heeft een belangrijke rol gespeeld in de kolonisatie van Brazilië, en speelt nog steeds een grote rol in de kapitaalverwerving van het land. Ook cultureel gezien is het bos, het regenwoud, een van de hoofdrolspelers. Het wordt vaak ten tonele gevoerd als leverancier van speciale, zeldzame of waardevolle planten en dieren. De eerste Europeanen beschreven het regenwoud als ‘Eden’, net zoals reisorganisaties dat vandaag de dag weer doen. Mensen die in de jungle (moesten) werk(t)en gebruikten meer negatieve termen en vertelden vooral over het onmenselijke klimaat, de insecten en gevaarlijke wilden beesten. Voor de oorspronkelijke Brazilianen was het toch vooral hun thuis.

Op dit moment is de Amazone het regenwoud dat de gemoederen op zowel economisch, ecologisch en mythisch gebied bezighoudt. Toch is de Amazone pas relatief kort het slachtoffer van exploitatie. Het bos wat de eerste Europeanen deed overgaan tot kolonisatie (in plaats van plundering) is het Atlantische Regenwoud. Dit ‘Eden’ is ook het regenwoud dat veelvuldig als locatie dient in klassieke Braziliaanse literatuur, en vormt daarin een belangrijke basis voor de Braziliaanse gotieke literatuur. Een passage uit het boek ‘With Broadax and Firebrand, the Destruction of the Brazilian Atlantic Forest’ (1995) van Warren Dean is daar een goed voorbeeld van:

“To advance a kilometer is to clamber over fallen trunks a score of times or more. Along the streams, legions of blood-sucking ticks, mosquitoes, sand flies, some of them parasitized by microbes lethal to us hairless mammals – pursue relentlessly. Centipedes, scorpions, and urticating caterpillars dare us to touch them. Amid this chaos, this wreckage, these dangers, we peer upward at the distant light that filters wanly through the foliage.

[…] The forest’s gloomy floor offers our species few aesthetic attractions. Its denizens are solitary, ghostlike. Most of its birds are taciturn, their colors subdued. Most of its flowers are tiny, white or green, and unscented. Its tree trunks, spattered with the ocher, umber and vermilion of lichens, are twined about with vines. Mosses and cacti droop from branches. Its canopy, fluttering in the wind that blows high above our heads, refracts the distant sun. A hundred shades of green shimmer and deceive our eyes. Although an artist may depict precisely this or that flower on the forest floor, the forest entire defies artistic skill. Neither paint nor photograph, no more than mere works, can capture the forest’s enveloping, uncanny presence, its ‘plastic solidity.’ In the distance, howler monkeys roar their matutinal defiance at the emerald void.

[…] We are no longer nocturnal, if ever we were. But the forest comes alive only at night. Then is the forest filled with the screeches and screams and skirls of fogs, birds, and insects, engaged in a million dramas of chase, evasion, and copulation. Amid the clamor of the night forest we are blind without our flashlights, defenseless without mosquito nets and hammocks and campfires.

[…] The forest is no glen of idylls, of sportive dryads, nymphs and elves. These tree creatures are engaged in titanic, slow-motion struggles that we short-lived, frenetic humans cannot even sense. Far above our heads they batter each other for space and sunlight, grasp each others’ branches, settle their seeds in the crotches of each others’ trunks, scrape and penetrate each others’ bark, engulf and strangle each other. In the night forest, above the animal din, one may hear a giant collapse when its burden of parasites overwhelms it, when its branches have been too effectively bored by termites, when its struggle is lost.

[…] Darwin found it ‘nearly impossible to give an adequate idea’ of his emotions. Astonished at its strangeness yet unable to relate it to the nature he had found so amiable in England, his ‘reason’ told him it was beautiful, ‘but the feelings do not correspond.’ Although he reported that his mind was elevated to ‘sublime devotion,’ it was clear that his god had not been in a contemplative mood when he created this nature. Perhaps it was even some other god.”

Dit is het gebied waar de verhalen van Hans Staden zich afspeelden. Ook José de Alencar’s O Guarani en Iracema spelen zich af in het Atlantische regenwoud. Tegenwoordig is het Atlantische regenwoud niet meer dan een ruïne van wat het 500 jaar geleden was. Van de gedeeltes die nog over zijn is het niet duidelijk hoeveel ervan uit echt oerbos bestaat en in hoeverre de diversiteit in de rest een afspiegeling is van wat het ooit was. Veel soorten uit het Atlantische regenwoud waren endemisch en kwamen alleen maar in relatief kleine gedeeltes van het bos voor. In zekere zin was dit woud een aaneenschakeling van vele micro-ecosystemen wiens vreemde harmonische evenwicht gebaseerd was op parasitaire relaties en waar het uitsterven van soorten altijd weer ruimte bood aan het opkomen van een nieuwe soort.

Het is evenmin duidelijk in welke mate het Atlantische regenwoud nog ‘maagdelijk’ was toen de Europeanen Brazilië in de 16e eeuw ontdekten. De Tupi indianen leefden op relatief kleine schaal van landbouw: ze brandden stukken bos plat die ze na gebruik weer terug lieten komen. Er zijn berekeningen op basis van schattingen van het aantal Tupi wat een bepaalde periode zo geleefd moet hebben die aantonen dat het grootste gedeelte van het ‘originele’ bos al een keer verbrand moet zijn geweest op het moment dat de Europeanen de term ‘maagdelijk’ gebruikten om hun nieuwe ontdekking te typeren.

De Europeanen gebruikten dit nieuwe land in het begin vooral als voorraadkamer voor de adel: allerhande exotische dieren (met name papegaaien) werden naar Europa gehaald, maar ook ‘Brazilwood’, hout waaruit een rode kleurstof gewonnen werd en waar Brazilië haar naam aan te danken heeft, werd in grote hoeveelheden verscheept. Daarnaast begonnen ze te experimenteren met het uitwisselen van planten tussen de verschillende koloniën. In Brazilië werden in eerste instantie de banaan, jackfruit en de mango geïntroduceerd. Vanuit Brazilië werden de pinda en de maniok (cassave) naar Afrika en Azië verscheept. Daarnaast werden de Tupi gebruikt als slaven en werd ‘rassenvermenging’ aangemoedigd om de nieuwe generaties Tupi als het ware los te weken van hun voorouders.

Op het moment dat er in de 18e eeuw goud en diamanten gevonden werden in het Atlantische regenwoud ging het echt goed mis. Portugal maakte serieuze plannen voor kolonisatie en het kappen van het bos begon groteske vormen aan te nemen. Er was nu namelijk veel meer hout nodig voor nederzettingen een scheepsbouw, en er moesten grotere stukken geveld worden om transport van grondstoffen te bespoedigen. De nieuwe grasvlaktes die hierdoor ontstonden werden gebruikt om vee te laten grazen. Rundvlees was heel geschikt als gedroogd voedsel voor de goud en diamant zoekers. Door erosie groeide op deze vlaktes echter niet het meest voedzame gras waardoor er minder koeien per hectare konden grazen en er dus meer gekapt moest worden om aan de vraag te voldoen. Daarnaast mislukten de meer grootschalige landbouwprojecten met uit Europa en Azië geïmporteerde soorten. Een blad etende mierensoort (Sáuva) at in moordtempo alle oogsten op en leek op geen enkele manier te bestrijden. De vraag naar rundvlees nam hierdoor toe. Daarnaast werd er veel geëxperimenteerd met landbouw op verschillende plekken (laagland, hoogland, droge bodem, natte bodem, etcetera) waarvoor grote oppervlaktes van het bos gekapt werden.

In de tussentijd breidde de Braziliaanse bevolking zich snel uit. Er werd tot in de jaren 60 van de vorige eeuw in de meeste huizen en restaurants in een houtoven gekookt. Daarnaast kwamen ook de spoorwegen op en werd er in Brazilië geen steenkool gevonden. Alhoewel er mondjesmaat steenkool werd geïmporteerd werd er toch vooral van hout gebruik gemaakt. Dit dunde het bos danig uit dat er gezocht werd naar een boomsoort die goed als brandhout gekweekt kon worden. Dit werd de Australische Eucalyptus boom. In grote aantallen werd deze boom, met name door de toenmalige spoorwegen (tegenwoordig gaat alle vervoer per buss en vrachtwagen), aangeplant. Later werden stukken van deze ‘nieuwe bossen’ als reservaat aangewezen.

Een van de grootste bedreigingen voor het Atlantische bos was wel de introductie van koffie als commercieel product begin 19e eeuw. Het goud en de diamanten waren op, de meeste andere landbouw experimenten waren mislukt en Brazilië had dringend een nieuw exportproduct nodig. Koffie bleek verassend goed te gedijen op de tot dan toe gespaard gebleven stukken bos: dat op de berghellingen. In rap tempo veranderde de meeste bergen in koffieplantages. De techniek die gebruikt werd om een stuk bos te vellen, namelijk verbranding waarbij de as als vruchtbare toplaag werd gebruikt, leidde tot ongekende erosie en volledige verdwijning van de (eveneens zeer vruchtbare) humus laag die er voor had kunnen zorgen dat het bos ooit weer terug had kunnen groeien. De verbrandingen zorgde voor zoveel rookontwikkeling dat de bewoners van Rio de Janeiro dit als een soort mist gingen zien.

De introductie van de trein als personenvervoermiddel begin 20e eeuw opende de ogen van de elite. Een ritje even buiten Rio de Janeiro toonde een verschroeide aarde. Op aandringen van de elite begon de overheid mondjesmaat met het terugplanten van het regenwoud op niet gebruikte plekken. Uiteindelijk werden de koffieplantages verplaats en werd het hele bos rondom Rio de Janeiro terug geplant. Dit gebied heet nu Tijuca en is een beschermd park waar onder andere het beroemde Christo Redentor (Christus de Verlosser) beeld staat.

Op dit moment is het vooral de corruptie die het laatste beetje Atlantische bos bedreigd. Er valt niet veel meer te halen, maar het kappen van bomen voor hardhout schijnt nog wel te gebeuren. De vrijwel volledige verdwijning van het Atlantische regenwoud in de afgelopen 500 jaar en de ruïneuze toestand waarin het gebied nu verkeert zouden vooral moeten dienen als negatief voorbeeld van waar de Amazone op afstevent. Hopelijk trekken de juiste mensen hier lering uit.

De andere Samba

Rio de Janeiro is net bijgekomen van het vier dagen overgeleverd te zijn aan de God van het Carnaval. De Samba scholen hebben elkaar uitgedaagd door megalomane pronkwagens te bouwen waar men met veel glitter en glamour op danst, gevolgd door de leden van de Samba school. Maar ook buiten de optocht doet iedereen mee aan het spektakel van meer dan vier dagen overdadig feesten in de hete Braziliaanse zomer.

De Samba scholen zetten de toon van de parades en de meeste Samba liedjes gaan over ‘arm maar toch gelukkig zijn’, ‘de morros (heuvels van de favela’s) zijn precair maar prachtig’ en natuurlijk ‘alles komt uiteindelijk goed’.

Eén van onze favoriete gesprekspartners rond het gotieke thema in Brazilië, kunstenaar Leandro Cardoso, wees op iets minder bekende maar zeer inspirerende Samba zanger, componist en dichter: Nelson Cavaquinho (1911 – 1986). De bijnaam Cavaquinho kreeg hij door zijn bijzondere spel op de cavaquinho, een kleine gitaar die veel in Samba muziek wordt gebruikt. De sfeer van zijn nummers is donkerder dan normaliter gebruikelijk bij Samba en hij zong niet over een goed einde maar over de dood, het harde leven en de realiteit van iedere dag. Hij kan eigenlijk gezien worden als de door ons eerder genoemde schrijver Nelson Rodrigues onder de componisten. Nostalgie en het doorstaan van het leven zijn vaak hoofdingrediënten. Waarschijnlijk werd hij pas later bekend omdat hij uit een arm gezin kwam en zwart was, indianen bloed en een droevig uiterlijk had, ook wel caboclo genoemd.

Een overzicht van een deel van zijn nummers is hier te vinden. Met veel volledige teksten en vaak ook de muziek.

Het carnaval van de dood

Sinds het moment dat de Portugezen voet aan wal zetten en het project Brazilië startten zijn er altijd verhalen geweest over de doden die terugkwamen om het bestaan van de levenden te beïnvloeden. Herrezen in vlees en bloed, spotten en verleiden ze, begiftigd met een huiveringwekkende lach die niet genegeerd kan worden. Deze niet-aardse figuren kunnen in direct contact treden met diegene die hun wereldse commentaar het meest nodig heeft. De doden kunnen ongegeneerd een scherpe mening geven over de hedendaagse situatie van de levenden. Het is binnen de literatuur dan ook een personage die het mogelijk maakt kritiek te geven op de sociaal-historische ontwikkelingen van een bepaalde tijd.

Ten tijde van de grote plantages hadden zowel de eigenaren als de slaven een plaats op het terrein waar niet alleen de katholieke God werd vereerd maar ook altijd een plek was voor de verering van andere geesten en overledenen. De alleskunner Gilberto Freyre, tevens één van de belangrijkste denkers over hoe Brazilië is gevormd, beschrijft in zijn boek ‘Casa-Grande e Senzala’ (The Masters and the Slaves) hoe de doden in de koloniale tijd hun greep houden op het heden – zij ondersteunen en sturen het leven van hun kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen – en dat deze relatie met name te maken heeft met het feit dat de doden onder het huis of onder de kapel op het terrein worden begraven.

Over het algemeen wordt er vanuit gegaan dat er goede en slechte doden zijn. Een goede dode is de persoon die in het bijzijn van de familie is overleden, waarbij de rituelen worden uitgevoerd en er een begrafenis met bijbehorende processie plaatsvindt. Een slechte dode ontstaat wanneer iemand niet op het juiste moment sterft en niet de tijd heeft gehad om het wereldse leven af te ronden en zo in het reine te komen met de familie en vrienden. Zo kan een dode terugkeren als een dwalende ziel die de gemeenschap teistert en alleen verlost kan worden wanneer het probleem is opgelost. Deze dwalende zielen zijn vaak ook de onbegravenen.

In de 19e eeuw werd de relatie met de doden opgebouwd vanaf het moment van de feestelijkheden rond het vereren van de pas overledene, zoals in processies naar de begraafplaats die meer aan carnavaleske feesten deden denken dan aan een (Europese) ingetogen zwarte rouwstoet. De begrafenis praal werd aangevuld met muziek, het luiden van kerkklokken, sier-rijtuigen, vuurwerk, banketten en het licht van ontelbare kandelaren. Deze optochten zijn geïnspireerd door katholieke processies zoals die in Portugal en het Iberisch schiereiland werden gehouden en welke sterk zijn beïnvloedt door heidense elementen.

Aan het begin van de 20ste eeuw verandert de vorm van de tradities rond het sterven, met name door de strenge hygiëne regels die voorschrijven dat de doden niet meer begraven mogen worden in en rond de huizen van de levenden. Door de vele immigranten wordt de ingetogen zwarte kleding gangbaar. Ook al zijn er geen kleurrijke processies meer, in veel literatuur is het karakter van de levende dode nog aanwezig.

De meest bekende schrijver uit de 19e eeuw, die het gegeven van de levende dode als kritisch figuur de literatuur binnen heeft gebracht, is Joaquim Maria Machado de Assis met het boek ‘Memórias Póstumas de Brás Cubas (The Posthumous Memoirs of Bras Cubas). Latere schrijvers waarvan een aantal verhalen een levende dode bevatten en die ook binnen het gotieke framewerk geplaatst kunnen worden zijn Alvares de Azevedo met ‘O Impenite’ en ‘Noite na Taverna‘, Humberto de Campos met ‘The Eyes that Consumed Flesh’, Joaquim Manuel de Macedo, de toneelschrijver Ariano Suassuna, en de dichter Joao Cabral de Melo Neto. Clarice Lispector, Lya Luft en Lygia Fagundes Telles gaan met name in op de positie van de vrouw, waarbij zij de levende dode ook terug laten komen in hun verhalen.

In de publicatie ‘The Carnivalesque Defunto’ van Robert H. Moser wordt de positie van de dode tussen de levenden beschreven. Moser start zijn onderzoek vanuit zijn fascinatie voor de schrijver Nelson Rodrigues, die naast het schrijven van talloze columns over moorden in Rio de Janeiro, één van de meest belangrijke Braziliaanse theater schrijvers is van de twintigste eeuw.

Nelson Rodrigues groeide op in het kantoor van de krant van zijn familie en heeft van jongs af aan een fascinatie voor de dood en de levende dode. Door een aantal heftige ervaringen, waaronder het meemaken van de griep epidemie in Rio de Janeiro in 1918 waarbij 15.000 mensen in twee weken overleden, en de moord op zijn broer, ontwikkelt Rodrigues een saudade (verlangen/nostalgie) voor de rituelen rond de dood en de levende dode. Vanaf zijn 13e schrijft hij columns over moord en doodslag in de stad. Rodrigues’ bezorgdheid over het verlies van tradities rond de dood in de Braziliaanse maatschappij kan binnen een grotere discussie geplaatst worden die ingaat op de spanning die moderniseringsprocessen met zich mee brengen. Zijn dissidente toneelstukken kunnen dan ook gezien woorden als verwoordingen van deze problemen, vermomd in verhalen over doden die terugkomen om hun situatie te analyseren. Zijn meest bekende toneelstukken zijn ‘Beijo no Asfalto’ (Kiss on the Asphalt) waarin vermeende homoseksualiteit wordt besproken, en ‘Anjo Negro’ (Black Angel) waarin een blanke vrouw haar mulatto kinderen verdrinkt en niet om kan gaan met het feit dat haar man zwart is. Zelf hebben wij een bijzondere uitvoering gezien waarin Denise Milfont, de vrouw van Helmut Batista van Capacete, de hoofdrol speelt in ‘Valsa no. 6’ (Waltz no 6), het verhaal van een tiener die nog niet helemaal door heeft dat ze dood is. Gedurende het stuk wordt het duidelijk dat haar oom haar heeft verkracht en ze daarna is vermoord door de dokter.

De carnivalesque defunto geeft de mogelijkheid aan schrijvers om vanuit een diepgewortelde relatie met het dodenrijk kritiek te kunnen geven op hedendaagse situaties. Het is interessant dat het carnivalesque keer op keer terugkomt in Brazilië. In alle lagen en gebruiken lijkt het feestelijke te zitten, dan wel als feestelijk, dan wel als verborgen kritische noot.

Beelden uit het onderbewuste

Na een lange rit in de bus, over semi-snelweg, door oude straten, langs de universiteit die op een fabriek lijkt en een aantal kleine favela’s stopte bus 249 (van Carioca naar Agua Santa) voor een slecht onderhouden gebouw uit de jaren ’50 van de vorige eeuw. Hier, ver weg van het strandleven van Ipanema en de bruisende uitgaanswijk Lapa, ligt het psychiatrische centrum Pedro II , dat het Museu de Imagens do Inconsciente (het museum voor beelden uit het onderbewuste) huisvest.

Raphael Domingues

Het Museu de Imagens do Inconsciente heeft zijn oorsprong op de afdeling Ergotherapie met zijn schilder- en beeldhouw werkplaats die in 1946 werd geleid door Nise da Silveira. Zij creëerde niet alleen een plaats waar de patiënten ongestoord en spontaan hun ideëen en gevoelens met verf en klei vormgaven maar zij nam deze werken direct als basis voor het research center waar ze wekelijks bijeenkomsten organiseerde met studenten en wetenschappers om de creaties van de patiënten te analyseren en zo van hen te leren en hun ontwikkeling te volgen. Het kleine museum dat in 1952 startte raakte al snel overladen met alle werken van de patiënten en verhuisde in 1956 naar de huidige locatie, waar het archief inmiddels zo’n 350.000 werken bevat.

Emygdio de Barros

Door het vertrouwen van Nise da Silveira (die Jung in Brazilië introduceerde) in de persoonlijke kracht van de patiënten was het mogelijk om over de jaren aan te tonen dat het maken van schilderijen en sculpturen meehelpt in het genezingsproces van de patiënten. Ook was het mogelijk om via de studiegroepen meer te weten te komen over de verschillende lagen en verwijzingen in de werken. Het meest interessante daaraan was de link naar oeroude mythes die in de schilderijen verborgen liggen. Zo was er een patiënte, Adelina Gomes, die het idee had dat ze een bloem was, wat gelinkt kan worden aan de Griekse mythe van Dafne die in een laurierboom verandert. Een andere patiënt schilderde keer op keer een lange platte boot met de zon erboven, wat veel overeenkomsten heeft met de Egyptische afbeelding van de zonnebark van de zonnegod Ra. Weer een ander aspect dat veel terugkomt zijn rituelen in verschillende vormen. Eén van de patiënten waarbij dit duidelijk terug te zien was is Carlos Pertuis.

Adelina Gomes

Carlos Pertuis

Het was bijzonder om door de tentoonstelling te lopen en de verschillen te zien tussen de werken. Sommige waren zeer gesloten, anderen juist erg kundig en bij de tijd. Wij kregen een tour door het archief waardoor we de omvang van de collectie fysiek begonnen te voelen en ook de ongelofelijke diversiteit in de werken te zien kregen. Een aantal van de patiënten was specialist geworden in één medium en onderwerp terwijl anderen een ongelofelijke ontwikkeling en diversiteit in onderwerpen toonden.

Adelina Gomes

Carlos Pertuis

Raphael Domingues

Het is wellicht niet direct te linken aan ons onderzoek maar zeker noemenswaardig als een unieke plek in het Braziliaanse landschap. In het Museu de Imagens do Inconsciente lijken de hier altijd aanwezige grote verschillen even niet van belang en gaat het puur om de ontwikkeling van het individu.