Het carnaval van de dood

Sinds het moment dat de Portugezen voet aan wal zetten en het project Brazilië startten zijn er altijd verhalen geweest over de doden die terugkwamen om het bestaan van de levenden te beïnvloeden. Herrezen in vlees en bloed, spotten en verleiden ze, begiftigd met een huiveringwekkende lach die niet genegeerd kan worden. Deze niet-aardse figuren kunnen in direct contact treden met diegene die hun wereldse commentaar het meest nodig heeft. De doden kunnen ongegeneerd een scherpe mening geven over de hedendaagse situatie van de levenden. Het is binnen de literatuur dan ook een personage die het mogelijk maakt kritiek te geven op de sociaal-historische ontwikkelingen van een bepaalde tijd.

Ten tijde van de grote plantages hadden zowel de eigenaren als de slaven een plaats op het terrein waar niet alleen de katholieke God werd vereerd maar ook altijd een plek was voor de verering van andere geesten en overledenen. De alleskunner Gilberto Freyre, tevens één van de belangrijkste denkers over hoe Brazilië is gevormd, beschrijft in zijn boek ‘Casa-Grande e Senzala’ (The Masters and the Slaves) hoe de doden in de koloniale tijd hun greep houden op het heden – zij ondersteunen en sturen het leven van hun kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen – en dat deze relatie met name te maken heeft met het feit dat de doden onder het huis of onder de kapel op het terrein worden begraven.

Over het algemeen wordt er vanuit gegaan dat er goede en slechte doden zijn. Een goede dode is de persoon die in het bijzijn van de familie is overleden, waarbij de rituelen worden uitgevoerd en er een begrafenis met bijbehorende processie plaatsvindt. Een slechte dode ontstaat wanneer iemand niet op het juiste moment sterft en niet de tijd heeft gehad om het wereldse leven af te ronden en zo in het reine te komen met de familie en vrienden. Zo kan een dode terugkeren als een dwalende ziel die de gemeenschap teistert en alleen verlost kan worden wanneer het probleem is opgelost. Deze dwalende zielen zijn vaak ook de onbegravenen.

In de 19e eeuw werd de relatie met de doden opgebouwd vanaf het moment van de feestelijkheden rond het vereren van de pas overledene, zoals in processies naar de begraafplaats die meer aan carnavaleske feesten deden denken dan aan een (Europese) ingetogen zwarte rouwstoet. De begrafenis praal werd aangevuld met muziek, het luiden van kerkklokken, sier-rijtuigen, vuurwerk, banketten en het licht van ontelbare kandelaren. Deze optochten zijn geïnspireerd door katholieke processies zoals die in Portugal en het Iberisch schiereiland werden gehouden en welke sterk zijn beïnvloedt door heidense elementen.

Aan het begin van de 20ste eeuw verandert de vorm van de tradities rond het sterven, met name door de strenge hygiëne regels die voorschrijven dat de doden niet meer begraven mogen worden in en rond de huizen van de levenden. Door de vele immigranten wordt de ingetogen zwarte kleding gangbaar. Ook al zijn er geen kleurrijke processies meer, in veel literatuur is het karakter van de levende dode nog aanwezig.

De meest bekende schrijver uit de 19e eeuw, die het gegeven van de levende dode als kritisch figuur de literatuur binnen heeft gebracht, is Joaquim Maria Machado de Assis met het boek ‘Memórias Póstumas de Brás Cubas (The Posthumous Memoirs of Bras Cubas). Latere schrijvers waarvan een aantal verhalen een levende dode bevatten en die ook binnen het gotieke framewerk geplaatst kunnen worden zijn Alvares de Azevedo met ‘O Impenite’ en ‘Noite na Taverna‘, Humberto de Campos met ‘The Eyes that Consumed Flesh’, Joaquim Manuel de Macedo, de toneelschrijver Ariano Suassuna, en de dichter Joao Cabral de Melo Neto. Clarice Lispector, Lya Luft en Lygia Fagundes Telles gaan met name in op de positie van de vrouw, waarbij zij de levende dode ook terug laten komen in hun verhalen.

In de publicatie ‘The Carnivalesque Defunto’ van Robert H. Moser wordt de positie van de dode tussen de levenden beschreven. Moser start zijn onderzoek vanuit zijn fascinatie voor de schrijver Nelson Rodrigues, die naast het schrijven van talloze columns over moorden in Rio de Janeiro, één van de meest belangrijke Braziliaanse theater schrijvers is van de twintigste eeuw.

Nelson Rodrigues groeide op in het kantoor van de krant van zijn familie en heeft van jongs af aan een fascinatie voor de dood en de levende dode. Door een aantal heftige ervaringen, waaronder het meemaken van de griep epidemie in Rio de Janeiro in 1918 waarbij 15.000 mensen in twee weken overleden, en de moord op zijn broer, ontwikkelt Rodrigues een saudade (verlangen/nostalgie) voor de rituelen rond de dood en de levende dode. Vanaf zijn 13e schrijft hij columns over moord en doodslag in de stad. Rodrigues’ bezorgdheid over het verlies van tradities rond de dood in de Braziliaanse maatschappij kan binnen een grotere discussie geplaatst worden die ingaat op de spanning die moderniseringsprocessen met zich mee brengen. Zijn dissidente toneelstukken kunnen dan ook gezien woorden als verwoordingen van deze problemen, vermomd in verhalen over doden die terugkomen om hun situatie te analyseren. Zijn meest bekende toneelstukken zijn ‘Beijo no Asfalto’ (Kiss on the Asphalt) waarin vermeende homoseksualiteit wordt besproken, en ‘Anjo Negro’ (Black Angel) waarin een blanke vrouw haar mulatto kinderen verdrinkt en niet om kan gaan met het feit dat haar man zwart is. Zelf hebben wij een bijzondere uitvoering gezien waarin Denise Milfont, de vrouw van Helmut Batista van Capacete, de hoofdrol speelt in ‘Valsa no. 6’ (Waltz no 6), het verhaal van een tiener die nog niet helemaal door heeft dat ze dood is. Gedurende het stuk wordt het duidelijk dat haar oom haar heeft verkracht en ze daarna is vermoord door de dokter.

De carnivalesque defunto geeft de mogelijkheid aan schrijvers om vanuit een diepgewortelde relatie met het dodenrijk kritiek te kunnen geven op hedendaagse situaties. Het is interessant dat het carnivalesque keer op keer terugkomt in Brazilië. In alle lagen en gebruiken lijkt het feestelijke te zitten, dan wel als feestelijk, dan wel als verborgen kritische noot.

Advertenties

Zé do Caixão

In Amerika zijn ze bang voor Freddy Krueger, in Japan voor Sadako, in Nederland moeten we het doen met een maniak in de Amsterdamse grachten (Amsterdammed) en in Brazilië hebben ze Zé do Caixão (alias Coffin Joe voor de niet Portugees sprekende medemens).

Zé is een creatie van regisseur/acteur/all-round celebrity José Mojica Marins (1936). Marins groeide op in São Paulo als zoon van een uitbater van een bioscoop en tevens stierenvechter (die op zijn beurt weer de zoon van een circus directeur was) en zag zo een enorm aantal vroege Hollywood films (net zoals het jongetje in Cinema Paradiso). Al op jonge leeftijd maakte Marins zijn eerste 8mm film, geïnspireerd op science-fiction comics aan de ene kant en op het verhaal van De Dag Des Oordeels (wat hij in de kerk hoorde) aan de andere kant. Het script was als volgt:

There was a city where extraterrestrial beings would come in a coffin craft. The craft had a lantern that would direct its light onto the good people and make them disappear. For example, if they were in a club dancing, the good people would disappear and the other people would be frozen. The same would happen if they were at a dinner, for example; sometimes the father would be taken out with his son while the mother would be left frozen. The ones that were left frozen decayed and were transformed into worms.

Alhoewel zijn vader de film geweldig vond raadde de kerk toch aan om de kleine Marins in een gekkenhuis te plaatsen. Deze dialectiek is tekenend voor Marins carriere. In zijn vroeg-volwassen leven ontwikkelde Marins het karakter Zé do Caixão op basis van een nachtmerrie, wat in 1964 tot de film À Meia-Noite Levarei Sua Alma (At Midnight I’ll Take Your Soul) leidde.

Zé do Caixão is een begravenisondernemer in een dorp. Met zijn hoge zwarte hoed, zwarte cape en lange nagels is hij een zonderling persoon in het dorp. Alhoewel de dorpelingen in het eerste kwartier van de film nog wel redelijk open lijken te staan voor Zé moeten ze de laatste 75 minuten en alle daarop volgende films niets meer van hem hebben. Zé do Caixão is een man met een missie. Zichzelf beschouwende als de perfecte (Nietzschiaanse) man zoekt hij de perfecte vrouw om zo de perfecte zoon op de wereld te kunnen zetten ten einde zichzelf onsterfelijk te maken. Alle vrouwen die niet aan Zé’s definitie van ‘perfect’ voldoen (en dat zijn er veel) worden bruut vermoord, evenals de mannen die hem voor de voeten lopen.

Kenmerkend is Zé’s uitgesproken afkeer van religie. Alles wat neigt naar enige vorm van godsverering doet Zé af als de ultieme domheid. Zelfs als hij aan het einde van al zijn films in de hel beland weigert hij nóg te geloven dat de Duivel echt bestaat. En waar hij de katholieken kan provoceren doet hij dat graag. Zo eet Zé in À Meia-Noite Levarei Sua Alma op Goede Vrijdag gewoon een lekkere lamsbout terwijl hij de deelnemers van de processie smadelijk uitlacht.

Na À Meia-Noite Levarei Sua Alma volgde er nog twee films met Zé do Caixão; Esta Noite Encarnarei no Teu Cadáver (This Night I’ll Posses Your Corpse, 1967) en Encarnação do Demônio (Embodiment Of Evil, 2008). In de tussentijd publiceerde Marins vele comics over Zé do Caixão evenals een aantal films waarin hij een bijrol had.

Alhoewel de films door de meeste critici niet echt serieus genomen werden is Zé do Caixão toch een leven gaan leiden buiten het auteurschap van Marins. Het noorden van Brazilië kent een sterke traditie van kleine, goedkope ‘zines’ gemaakt met houtsnedes genaamd Cordel. De makers van de Cordels waren de eersten die het karakter van Zé do Caixão gebruikten buiten de context die Marins voor hem geschapen had, en startten zo de opmars van Zé tot nationaal monsterlijk fenomeen.

In Europa en Noord-Amerika staan de films met Zé do Caixão vaak op lijstjes in de trant van ‘Beste Horror films Ooit’ (zoals op dit lijstje van Wired). Naast het feit dat Marins gezien wordt als ‘De Man Die De Horrorfilm Naar Brazilië Bracht’ (wat niet geheel juist is), is zijn vreemde combinatie van horror, terror, misdaad, geweld en filosofie een welkome afwisseling in de wereld van de Westerse horror. In Brazilië zelf wordt er veelal op Marins neergekeken als een marginaal figuur die smakeloze films voor de arbeidersklasse maakt. Deze visie gaat voorbij aan het feit dat Marins met zijn films een van de weinigen was die kritiek uitte op het dictatoriale regime in Brazilië (1964-1985), en ook in zijn nieuwste films nog altijd vel van leer steekt tegenover het geweld dat gebruikt wordt door de politie en de schrijnende sociaal-economische verschillen in het hedendaagse Brazilië. Wel moet worden gezegd dat Marins het er zelf niet makkelijker op maakt om deze laag in Zé do Caixão te kunnen lezen. Marins maakt er namelijk een gewoonte van om te pas en te onpas publiekelijk als Zé do Caixão te verschijnen en verdient zijn boterham als verklede interviewer van nationale beroemdheden.

Binnenkort zullen wij José Mojica Marins interviewen. Dit interview zullen we uiteraard op deze blog publiceren.

Brazilië; de perfecte kannibaal

Only cannibalism unites us. Socially. Economically. Philosophically. Tupi or not Tupi, that is the question.
(Oswald de Andrade, Manifesto Antropófago)

Brazilië, het naar (eigen) zeggen mooiste land ter wereld met een cultuur die niet meer los te denken is van het begrip kannibalisme. Sinds het Manifesto Antropófago (het kannibalistisch manifest) dat de modernistische dichter en polemist Oswald de Andrade in 1928 schreef lijkt kannibalisme met name een zeer goede manier om een bijzonder eigenzinnige en gemêleerde cultuur te krijgen.

De eerste overleveringen van kannibalisme in Brazilië zijn opgetekend door de Duitse avonturier en zeeman Hans Staden in zijn boek Wahrhaftige Historia. Hij leefde in 1552 negen maanden als gevangene bij de Tupi indianen en wist op bijzondere wijze zijn noodlot als avondmaal af te wenden door op slimme manier zijn godsdienstigheid in te zetten. Tijdens zijn verblijf zag Staden hoe de Tupi leefden – in korte dagboek fragmenten vertelt hij over alle gebruiken en tradities van de stam – en hoe zij hun vijanden gevangen namen, vetmesten, beschilderden en opaten. Op basis van latere beschrijvingen en antropologisch onderzoek wordt verondersteld dat de indianen diegenen van een andere stam opaten die sterker waren of die jaloezie veroorzaakten. Door de vijand op te eten verkreeg hij die het vlees at een beetje van zijn kracht en zo werdt het karakter sterker. Je zou kunnen zeggen dat het een manier is om een complex karakter te ontwikkelen en te leren van de ander door de ander te verteren. Hans Staden vertelt in zijn boek dat de man die de te eten vijand doodsloeg de naam kreeg van het slachtoffer. Hoe meer namen iemand bezat, hoe belangrijker hij was.

Kannibalisme komt niet alleen in Brazilië voor maar het verhaal van Staden heeft wel tot inspiratie en onderzoek geleid. Zoals beschreven in de post over ‘amazonspoitation’ is het Amazonegebied lang bestudeerd en heeft het Staden verhaal ook geleid tot films als Cannibal Holocaust.

Kannibalisme wordt over het algemeen gezien als barbaars, beoefend door wilden. Interessant is de link naar het Christendom en de eucharistie, waarbij het brood en de wijn het symbool zijn voor het lichaam en bloed van Jezus.
Je zou dus kunnen zeggen dat de goed geaarde Gristen zich iedere week schuldig maakt aan kannibalisme en dus zijn christenen eigenlijk net zo primitief als de zogenaamde kannibalen in de jungle van Brazilië. Uiteraard zal de kerk dit tegenspreken en zichzelf ver boven het brute gedrag van de naakte inboorling stellen.

Ook al wordt kannibalisme niet direct gelinkt aan gekte, toch zegt het gezond verstand dat het van de gekken is om een mens te eten. Het verhaal ‘Survival Type’ van Stephen King speelt op een redelijk uitvergrote manier met de relatie tussen de twee. Chirurg Richard Pine strandt op een onbewoond en onvruchtbaar eiland. Het enige dat hij bij zich heeft is een koffer met instrumenten en een grote hoeveelheid heroïne die bedoeld was voor de verkoop. Na een val waarbij hij zijn enkel breekt is hij gedwongen zijn voet zelfstandig te amputeren om te overleven. Door honger geteisterd ziet hij geen andere uitweg dan zijn eigen voet te eten. Dit is het begin van een krankzinnige aftakeling waarin Richard onder de invloed van grote hoeveelheden drugs zijn eigen lichaam steeds verder opeet om zijn honger te stillen, zijn verstand verliest en als een stomp met een arm kwijlend en brabbelend als waanzinnige kannibaal eindigt.
Het blijft uiteindelijk lastig om kannibalisme met gekte te vergelijken omdat de klassieke gek vaak ontoerekeningsvatbaar is en klassiek kannibalisme om zeer rationele beslissingen gaat. Het is echter maar de vraag of het verlangen iemand op te eten zoals te zien is bij de Duitse Armin Meiwes volledig buiten het domein van de dwaasheid te plaatsten is.

Terug naar Brazilië en het idee van Oswald de Andrade. Hij stelt heel basaal dat Brazilië een smeltkroes is van alle verschillende culturen die in dit gigantische land samen zijn gekomen, en dat het beter is om daaruit een nieuwe en unieke cultuur te vormen dan naar kolonisator Europa te kijken in een poging de Europese cultuur te behouden. Net als het opnemen van de kennis van de ander door deze op te eten, moeten de culturen die naar Brazilië zijn gebracht worden verteerd om zo complexer en rijker als nieuwe vorm door te ontwikkelen. Door de ander te verteren is het mogelijk de ander te begrijpen en op te nemen in een complexere cultuur waarin de ander één wordt met de bestaande cultuur. Volgens Oswald de Andrade is dit de manier om de perfecte Braziliaan te scheppen.

Het Manifesto Antropófago is nog steeds van grote invloed in de Braziliaanse kunstwereld vandaag de dag. Het lijkt helaas op dit moment meer op het herkauwen van de geniale vondsten van kunstenaars als Helio Oiticica en Lygia Clark, die in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw met een sociaal politieke blik teruggrijpen op het manifest, dan op het werkelijk verteren en uitpoepen van een nieuwe vorm. Dit eerste terugkijken op het modernisme uit zich in de Tropicalia beweging waar filmmakers, muzikanten, theatermakers en kunstenaars onder worden gerekend. Twee werken uit deze tijd zijn de film Macunaíma van Joaquim Pedro de Andrade en het theaterstuk Macumba Antropofaga, dat tot op de dag van vandaag uitgevoerd door Teatro Oficina. Beiden herinterpreteren het manifest van Oscar de Andrade, gecombineerd met het boek ‘Macunaíma’ van Mario de Andrade.

Anno 2011 is het in de muziek het beste gelukt om kannibalistisch bezig te blijven. DJ’s en muzikanten schromen niet om alle soorten muziek te combineren en creëren keer op keer de meest waanzinnige nieuwe stijlen zoals de Bossa Nova en Funk Carioca.

Het blijft fascinerend om te denken dat je meer kennis vergaart door de ander op te eten. Mits goed bereid is het de ultieme manier om het nuttige met het aangename te verenigen. Helaas hebben wij  een aangeleerde afkeer van het eten van onze eigen soort.

Amazonsploitation

Het Amazonegebied moet met stip één van de meeste geëxploiteerde  gebieden ter wereld zijn. Als je de laatste eeuw in haar bestaan bekijkt kan je niet anders dan concluderen dat het een godswonder is dat de Amazone niet nog slechts in het land van de Dodo stroomt.

De meest bekende vorm van exploitatie is waarschijnlijk het ombouwen van het regenwoud tot weiland voor veeteelt, landbouwgrond voor soja en natuurlijk voor het kappen van hardhout. Mijnbouw is de laatste paar decennia ook erg in trek.

Dan zijn er de NGO’s die dit soort praktijken proberen tegen te gaan door het verkopen van grote lappen grond. Zoals De keuringsdienst van waarde al liet zien gaat dit vaak meer om het vullen van portemonnees  dan om het beschermen van het regenwoud. De omvang van het gebied, haar onherbergzaamheid en de wetteloosheid die dit met zich meebrengt maken het bewaken van zo’n stuk grond onbegonnen werk. Dat geldt helaas dus ook voor de indianen en hun reservaten.

Antropologen die alle indianen proberen te bestuderen dragen ook de smet van exploitatie. Er is bijvoorbeeld een discussie gaande over de mate waarin de vorm van een beloning in ruil voor informatie als uitlokking tot bepaald gedrag gezien kan worden – als je iemand beloont met beter gereedschap om te jagen dan is het resultaat waarschijnlijk dat deze persoon meer vangt en dus meer eet wat het dagelijks leven beïnvloedt en daarmee een meervoud van mogelijke onderzoeksuitslagen. Ook schijnt dat een aantal van de bekendste antropologen zich schuldig heeft gemaakt aan grootschalig sexueel misbruik. Daarnaast worden er methodes gebruikt die 300 jaar geleden al voor grote problemen hebben gezorgd in toenmalig Congo doordat men beleid is gaan maken op basis van verkeerd geïnterpreteerde  uitkomsten (zie David Reybrouck’s boek Congo. Een geschiedenis).

Wat de overige wetenschappen betreft heeft het Amazonegebied de bijnaam ‘De grootste apotheek der aarde’ gekregen. Een significant deel van de moderne medicijnen vindt haar oorsprong in planten uit de Amazone en de kennis over hoe deze planten te gebruiken is afkomstig van de indianen. Wij kunnen ons voorstellen dat deze apotheek grote wachtrijen kent en dat de medische industrie niet netjes een nummertje trekt en achteraan aansluit.

In de populaire cultuur wordt de Amazone niet ontzien. In de literatuur werd het idee van de wilde maar wijze indiaan al gebruikt bij het tot stand brengen van een Braziliaanse literatuur en identiteit. José de Alencar liet zijn romances in het regenwoud afspelen (weliswaar niet de Amazone, maar in die tijden was Brazilië min of meer 1 grote Amazone).

Tegelijkertijd wordt de indiaan ook als afschrikwekkende kannibaal afgeschilderd. Eerst door Hans Staden, maar in de jaren ’70 van de vorige eeuw ook door hordes Italianen en hun trashy films over kannibalen (Cannibal Holocaust is hiervan de bekendste). Fantasieën  over matriarchale stammen in het gebied hebben voor uren en uren aan softerotisch slap geouwehoer op tv gezorgd. Dieren in de Amazone moeten het ook ontgelden; de anaconda en de piranha spreken nog zo tot de verbeelding dat ze zelfs in 2012 voor gevulde bioscopen zullen zorgen. De mythische status van de piranha is trouwens aan een beschrijving uit Theodore Roosevelt’s boek Trough the Brazilian wilderness te danken (meer over Roosevelt en de piranha mythe):

“They are the most ferocious fish in the world. Even the most formidable fish, the sharks or the barracudas, usually attack things smaller than themselves. But the piranhas habitually attack things much larger than themselves. They will snap a finger off a hand incautiously trailed in the water; they mutilate swimmers—in every river town in Paraguay there are men who have been thus mutilated; they will rend and devour alive any wounded man or beast; for blood in the water excites them to madness. They will tear wounded wild fowl to pieces; and bite off the tails of big fish as they grow exhausted when fighting after being hooked.” 

Ondertussen zijn delen van het Amazonegebied uitgeroepen tot een soort reservaten voor de indianen. De Braziliaanse wet geldt er niet, en de indianen die er wonen zijn geen Brazilianen. Ze hebben geen paspoort, betalen geen belasting en kunnen niet stemmen. Aan de ene kant kunnen de indianen zo hun levenswijze behouden, aan de andere kant zijn ze gevangenen in hun eigen land. Ook is de afgelopen jaren al duidelijk geworden dat de status van reservaat eigenlijk geen betekenis heeft voor lokale overheden en (internationale) bedrijven. Als er iets te halen valt dan wordt dat gewoon gehaald.

Werner Herzog maakte een indrukwekkende korte documentaire over hoe het met een recent ontdekte stam afliep nadat zij door westerlingen benaderd was:

Het gebied spreekt ook ons tot de verbeelding. Het idee van een plek waar mensen wonen die nog nooit in contact zijn geweest met een andere vorm van beschaving; het bos waar geen plaats is voor onze wetten en dat even grote gevaren herbergt als dat het rijk is aan natuurschoon. Het bos vormt hier één van de meest sublieme ervaringen – in die zin is het oerwoud de gotische kathedraal van Brazilië.

Beelden uit het onderbewuste

Na een lange rit in de bus, over semi-snelweg, door oude straten, langs de universiteit die op een fabriek lijkt en een aantal kleine favela’s stopte bus 249 (van Carioca naar Agua Santa) voor een slecht onderhouden gebouw uit de jaren ’50 van de vorige eeuw. Hier, ver weg van het strandleven van Ipanema en de bruisende uitgaanswijk Lapa, ligt het psychiatrische centrum Pedro II , dat het Museu de Imagens do Inconsciente (het museum voor beelden uit het onderbewuste) huisvest.

Raphael Domingues

Het Museu de Imagens do Inconsciente heeft zijn oorsprong op de afdeling Ergotherapie met zijn schilder- en beeldhouw werkplaats die in 1946 werd geleid door Nise da Silveira. Zij creëerde niet alleen een plaats waar de patiënten ongestoord en spontaan hun ideëen en gevoelens met verf en klei vormgaven maar zij nam deze werken direct als basis voor het research center waar ze wekelijks bijeenkomsten organiseerde met studenten en wetenschappers om de creaties van de patiënten te analyseren en zo van hen te leren en hun ontwikkeling te volgen. Het kleine museum dat in 1952 startte raakte al snel overladen met alle werken van de patiënten en verhuisde in 1956 naar de huidige locatie, waar het archief inmiddels zo’n 350.000 werken bevat.

Emygdio de Barros

Door het vertrouwen van Nise da Silveira (die Jung in Brazilië introduceerde) in de persoonlijke kracht van de patiënten was het mogelijk om over de jaren aan te tonen dat het maken van schilderijen en sculpturen meehelpt in het genezingsproces van de patiënten. Ook was het mogelijk om via de studiegroepen meer te weten te komen over de verschillende lagen en verwijzingen in de werken. Het meest interessante daaraan was de link naar oeroude mythes die in de schilderijen verborgen liggen. Zo was er een patiënte, Adelina Gomes, die het idee had dat ze een bloem was, wat gelinkt kan worden aan de Griekse mythe van Dafne die in een laurierboom verandert. Een andere patiënt schilderde keer op keer een lange platte boot met de zon erboven, wat veel overeenkomsten heeft met de Egyptische afbeelding van de zonnebark van de zonnegod Ra. Weer een ander aspect dat veel terugkomt zijn rituelen in verschillende vormen. Eén van de patiënten waarbij dit duidelijk terug te zien was is Carlos Pertuis.

Adelina Gomes

Carlos Pertuis

Het was bijzonder om door de tentoonstelling te lopen en de verschillen te zien tussen de werken. Sommige waren zeer gesloten, anderen juist erg kundig en bij de tijd. Wij kregen een tour door het archief waardoor we de omvang van de collectie fysiek begonnen te voelen en ook de ongelofelijke diversiteit in de werken te zien kregen. Een aantal van de patiënten was specialist geworden in één medium en onderwerp terwijl anderen een ongelofelijke ontwikkeling en diversiteit in onderwerpen toonden.

Adelina Gomes

Carlos Pertuis

Raphael Domingues

Het is wellicht niet direct te linken aan ons onderzoek maar zeker noemenswaardig als een unieke plek in het Braziliaanse landschap. In het Museu de Imagens do Inconsciente lijken de hier altijd aanwezige grote verschillen even niet van belang en gaat het puur om de ontwikkeling van het individu.

De mythe van het geweld

Alhoewel de bekendheid van een strand als Copacabana anders doet vermoeden is toerisme in Brazilië nog jong en daarmee relatief klein. Aan de vele stranden hier vind je bijna geen grote all-inclusive waar je vanuit het zwembad naar het strand kan kijken. Dat Brazilië het ‘Costa gevoel’ tot nu toe bespaard is gebleven is voor een groot deel te danken aan de reputatie die het land heeft met betrekking tot straatroof, drugshandel en de beruchte Favela’s. Films als de blockbuster Tropa de Elite en Cidade de Deus spelen hier op een kritische manier op in.

Cidade de Deus

Tropa de Elite

Het beeld dat wij van Brazilië hadden gevormd op basis van verhalen van zowel Brazilianen als ex-toeristen is kenmerkend voor hoe diep deze reputatie zich heeft geworteld in de psyche van beide partijen. Ter illustratie:

Wij verwachtten in São Paulo een stad aan te treffen waarin de mensen zich slechts per geblindeerde auto of helikopter verplaatsen. Voor de armen is er de bus en alleen degenen die echt helemaal niets hebben verplaatsen zich lopend. Als toerist op straat is de kans dat je beroofd wordt meer dan 50%. Mocht je daarbij ook nog eens een foto willen maken met een grote dikke toeristen-camera (van een modernistisch gebouw bijvoorbeeld) dan wordt de kans op beroving zo’n beetje 100%.

Tropa de Elite

Cidade de Deus

Nu moet gezegd worden dat de sociaaleconomische verschillen in Brazilië bizar groot zijn (in die zin jatten de rijken hier net zo goed van de armen). Daarnaast zijn steden als Sao Paulo en Rio de Janeiro erg groot (respectievelijk 20 miljoen en 8 miljoen inwoners). Zoveel mensen op een kluitje zorgt eigenlijk altijd voor spanningen en wrijvingen – in het bijzonder als de onderklasse zo arm en zo groot is als in Brazilië. Wat dat betreft is de opmerking ‘O Brasil não é para principiantes‘ (Brazilië is niet voor beginners) van musicus Tom Jobim wel op z’n plek. Desalniettemin lopen mensen hier net zo vaak op straat als in Nederland. De rijstijl van de gemiddelde taxi- of busbestuurder in acht nemend is lopen misschien nog wel veiliger in de meeste gevallen. Veel auto’s zijn inderdaad geblindeerd, maar de mensen die wij spreken vinden dat vaak maar niets. Je kan bijvoorbeeld geen oogcontact meer maken met de andere bestuurders wat op die manier ook weer allerhande gevaren oplevert. En alhoewel je hier ’s nachts wel wat beter op moet letten is de kans dat je geskimmd wordt bij de bank waarschijnlijk groter dan de kans op een beroving.

De potentie voor massatoerisme in acht nemend dienen deze welhaast mythische verhalen over geweld misschien een ander doel. Tot nu toe vormt het in ieder geval een doeltreffend afschrikmiddel tegen de doorsnee toerist. Het valt echter maar af te wachten of deze mythe bestand is tegen de vloedgolf van toeristen die op het W.K (2014) en de Olympische spelen (2016) af zullen komen.

Zwart gouden mythes

Tijdens de zoektocht naar waar Braziliaanse Gotieke literatuur haar wortels heeft en wat haar hedendaagse vorm zou kunnen zijn, kwamen we terecht in Ouro Preto, een klein stadje midden in de bergen van de staat Minas Gerais. Ouro Preto staat bekend om de conservering van de Braziliaanse Barokke architectuur en de ongelofelijke hoeveelheid kerken in de stad. Vanaf het moment dat je de bus uitstapt tot het moment van vertrek zijn het de kerken en de mythes van het stadje die je bezig houden.

Ouro Preto, wat Zwart Goud betekent, stamt uit de 17e eeuw, de tijd dat de goudmijnen overuren draaiden en de verschillende religieuze groeperingen in de stad voldoende kapitaal bezaten om grote tot zeer grote versierde kerken te bouwen; elk in een eigen, overladen, Barokke stijl. Het is bijzonder om door de ongelofelijk steile straatjes te zwerven en steeds weer een grote kerk te zien. Je vraagt je af hoe ze in godsnaam in dit steile bergstadje zulke kolossale gebouwen hebben weten neer te zetten.

Naast de talloze kerken waren het de zogenaamde ‘Republica’s’ die de aandacht vroegen. Ouro Preto is niet alleen een oud mijnstadje maar heeft ook een van de oudste universiteiten van het land, de Universidade Federal de Ouro Preto. Uniek aan deze universiteit zijn de bijbehorende ‘Republica’s’, de studenten woningen waarvan de opzet te vergelijken is met de Nederlandse verenigingshuizen. Na een ontgroening van de zogenaamde bixos (van bichos, ‘dieren’ in het Portugees) worden zij geaccepteerd in één van de huizen.

In de kerken zelf was het opvallend dat een aantal van hen meerdere Jezus beelden plaatste die de lijdensweg uitbeeldden, waarbij iedere Jezus figuur een pruik en een kledingstuk droeg. Ook hadden de Maria achter, en de twee figuren naast het altaar (meestal een machtig kerkvader en een non) een pruik en mantel.

De meeste beroemde beeldhouwer die dit soort religieuze beelden maakte is Aleijadinho. Hij maakte de beelden voor de centraal gelegen ‘Franciscus van Assisi’ kerk. Aleijadinho is om verschillende redenen een bijzondere beeldhouwer. Omdat hij ongelofelijk getalenteerd was en veel van zijn meesterwerk in de regio rond Ouro Preto te vinden is, maar meer nog door de mythe die rond zijn persoon is ontstaan. Naar het schijnt leed Aleijadinho aan lepra en maakte hij al zijn werk door gereedschap aan de uiteinden van zijn armen te binden en zich te laten verplaatsten door zijn assistenten. Zijn naam heeft hij hier ook aan te danken; Aleijadinho betekent namelijk ‘de kleine kreupele’. Het is bijna onvoorstelbaar dat deze man zoveel heeft gemaakt en het is dan wellicht ook geloofwaardiger om mee te gaan in de meest recente versie van het verhaal waarin dit personage is verzonnen door de schrijver Rodrigo Bretas, en dat het waarschijnlijk meerdere mensen zijn geweest die de beelden hebben gemaakt. Gezien binnen de context van Ouro Preto, wat op zichzelf al redelijk mytisch aandoet door de onmogelijkheid van de plek (in de hoogtij dagen bestond de omgeving uit jungle, wat hier nog een schepje bovenop doet), past de mythische figuur van Aleijadinho maar al te goed.

Na een dagje Barok werd het ons ook duidelijk dat de Braziliaanse Gotiek niet zo snel in deze oude gebouwen terug te vinden is maar waarschijnlijk veel meer voortkomt uit de spanning die ontstond bij het tot stand komen van het onafhankelijke Brazilië; een wigwam in het oerwoud lijkt in deze zin beter te passen.