Categorie archief: Antropologie

Buiten de bebouwde kom

Om even niet gebonden te zijn aan bus, metro, taxi of vliegtuig, besloten we een auto te huren en de omgeving van Brasília te verkennen, een gebied dat beroemd is om de vele gigantische kristallen in de grond, de tientallen watervallen en prachtige natuur. Naast de aantrekkingskracht die de kristallen hebben op talloze esoterische bewegingen, hippies en sektes – zoals Vale do Amanhecer – zijn de kristallen doelwit van rovers die op zeer uiteenlopende plekken naar de kristallen lijken te zoeken.

Aangetrokken door deze wilde verhalen en nieuwsgierig naar de energierijke plekken, vertrokken wij in onze huurauto naar het noorden van de staat Goias, er vanuit gaande dat we in een dikke twee uur bij een wonderschoon natuurgebied aan zouden komen. Op het moment dat we van snelweg wisselden en aan het langste deel van de korte reis begonnen, begaven we ons op een weg vol met rood-zwarte plekken. Net op gang gekomen bleek al snel dat deze plekken geen vlekken waren maar diepe gaten. BAM! daar ging het linker voorwiel door één van de kuilen. Een geratel en zachte sis. BAM! het rechterwiel ook door een gat. Dat was een wieldop en een velg.
De weg werd slechter en onze reis langer, want alleen zéér geconcentreerd en langzaam was het mogelijk deze weg met onze kleine auto te berijden (Brazilië lijkt het enige land ter wereld waar je binnen de bebouwde kom harder kan rijden dan er buiten). Op dertig kilometer van het bergdorp van bestemming leek de weg even te verbeteren, om vervolgens over te gaan in een dirt-road met nóg veel meer gaten dan in het asfalt.

Buiten het feit dat we ons afvroegen of we met deze auto ooit nog terug konden komen, rees de vraag hoe deze gaten überhaupt ontstaan. Een logische verklaring zou de afwisseling tussen extreme droogte en tropische regen kunnen zijn maar omdat het gebied naar zeggen vol met kristallen zit zijn het wellicht de rovers die gaten maken, op zoek naar een waardevolle buit. Dat de staat niets aan de gaten doet komt hoogstwaarschijnlijk door de enorme corruptie en wellicht door de zwarte handel met de gevonden edelstenen.

Het carnaval van de dood

Sinds het moment dat de Portugezen voet aan wal zetten en het project Brazilië startten zijn er altijd verhalen geweest over de doden die terugkwamen om het bestaan van de levenden te beïnvloeden. Herrezen in vlees en bloed, spotten en verleiden ze, begiftigd met een huiveringwekkende lach die niet genegeerd kan worden. Deze niet-aardse figuren kunnen in direct contact treden met diegene die hun wereldse commentaar het meest nodig heeft. De doden kunnen ongegeneerd een scherpe mening geven over de hedendaagse situatie van de levenden. Het is binnen de literatuur dan ook een personage die het mogelijk maakt kritiek te geven op de sociaal-historische ontwikkelingen van een bepaalde tijd.

Ten tijde van de grote plantages hadden zowel de eigenaren als de slaven een plaats op het terrein waar niet alleen de katholieke God werd vereerd maar ook altijd een plek was voor de verering van andere geesten en overledenen. De alleskunner Gilberto Freyre, tevens één van de belangrijkste denkers over hoe Brazilië is gevormd, beschrijft in zijn boek ‘Casa-Grande e Senzala’ (The Masters and the Slaves) hoe de doden in de koloniale tijd hun greep houden op het heden – zij ondersteunen en sturen het leven van hun kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen – en dat deze relatie met name te maken heeft met het feit dat de doden onder het huis of onder de kapel op het terrein worden begraven.

Over het algemeen wordt er vanuit gegaan dat er goede en slechte doden zijn. Een goede dode is de persoon die in het bijzijn van de familie is overleden, waarbij de rituelen worden uitgevoerd en er een begrafenis met bijbehorende processie plaatsvindt. Een slechte dode ontstaat wanneer iemand niet op het juiste moment sterft en niet de tijd heeft gehad om het wereldse leven af te ronden en zo in het reine te komen met de familie en vrienden. Zo kan een dode terugkeren als een dwalende ziel die de gemeenschap teistert en alleen verlost kan worden wanneer het probleem is opgelost. Deze dwalende zielen zijn vaak ook de onbegravenen.

In de 19e eeuw werd de relatie met de doden opgebouwd vanaf het moment van de feestelijkheden rond het vereren van de pas overledene, zoals in processies naar de begraafplaats die meer aan carnavaleske feesten deden denken dan aan een (Europese) ingetogen zwarte rouwstoet. De begrafenis praal werd aangevuld met muziek, het luiden van kerkklokken, sier-rijtuigen, vuurwerk, banketten en het licht van ontelbare kandelaren. Deze optochten zijn geïnspireerd door katholieke processies zoals die in Portugal en het Iberisch schiereiland werden gehouden en welke sterk zijn beïnvloedt door heidense elementen.

Aan het begin van de 20ste eeuw verandert de vorm van de tradities rond het sterven, met name door de strenge hygiëne regels die voorschrijven dat de doden niet meer begraven mogen worden in en rond de huizen van de levenden. Door de vele immigranten wordt de ingetogen zwarte kleding gangbaar. Ook al zijn er geen kleurrijke processies meer, in veel literatuur is het karakter van de levende dode nog aanwezig.

De meest bekende schrijver uit de 19e eeuw, die het gegeven van de levende dode als kritisch figuur de literatuur binnen heeft gebracht, is Joaquim Maria Machado de Assis met het boek ‘Memórias Póstumas de Brás Cubas (The Posthumous Memoirs of Bras Cubas). Latere schrijvers waarvan een aantal verhalen een levende dode bevatten en die ook binnen het gotieke framewerk geplaatst kunnen worden zijn Alvares de Azevedo met ‘O Impenite’ en ‘Noite na Taverna‘, Humberto de Campos met ‘The Eyes that Consumed Flesh’, Joaquim Manuel de Macedo, de toneelschrijver Ariano Suassuna, en de dichter Joao Cabral de Melo Neto. Clarice Lispector, Lya Luft en Lygia Fagundes Telles gaan met name in op de positie van de vrouw, waarbij zij de levende dode ook terug laten komen in hun verhalen.

In de publicatie ‘The Carnivalesque Defunto’ van Robert H. Moser wordt de positie van de dode tussen de levenden beschreven. Moser start zijn onderzoek vanuit zijn fascinatie voor de schrijver Nelson Rodrigues, die naast het schrijven van talloze columns over moorden in Rio de Janeiro, één van de meest belangrijke Braziliaanse theater schrijvers is van de twintigste eeuw.

Nelson Rodrigues groeide op in het kantoor van de krant van zijn familie en heeft van jongs af aan een fascinatie voor de dood en de levende dode. Door een aantal heftige ervaringen, waaronder het meemaken van de griep epidemie in Rio de Janeiro in 1918 waarbij 15.000 mensen in twee weken overleden, en de moord op zijn broer, ontwikkelt Rodrigues een saudade (verlangen/nostalgie) voor de rituelen rond de dood en de levende dode. Vanaf zijn 13e schrijft hij columns over moord en doodslag in de stad. Rodrigues’ bezorgdheid over het verlies van tradities rond de dood in de Braziliaanse maatschappij kan binnen een grotere discussie geplaatst worden die ingaat op de spanning die moderniseringsprocessen met zich mee brengen. Zijn dissidente toneelstukken kunnen dan ook gezien woorden als verwoordingen van deze problemen, vermomd in verhalen over doden die terugkomen om hun situatie te analyseren. Zijn meest bekende toneelstukken zijn ‘Beijo no Asfalto’ (Kiss on the Asphalt) waarin vermeende homoseksualiteit wordt besproken, en ‘Anjo Negro’ (Black Angel) waarin een blanke vrouw haar mulatto kinderen verdrinkt en niet om kan gaan met het feit dat haar man zwart is. Zelf hebben wij een bijzondere uitvoering gezien waarin Denise Milfont, de vrouw van Helmut Batista van Capacete, de hoofdrol speelt in ‘Valsa no. 6’ (Waltz no 6), het verhaal van een tiener die nog niet helemaal door heeft dat ze dood is. Gedurende het stuk wordt het duidelijk dat haar oom haar heeft verkracht en ze daarna is vermoord door de dokter.

De carnivalesque defunto geeft de mogelijkheid aan schrijvers om vanuit een diepgewortelde relatie met het dodenrijk kritiek te kunnen geven op hedendaagse situaties. Het is interessant dat het carnivalesque keer op keer terugkomt in Brazilië. In alle lagen en gebruiken lijkt het feestelijke te zitten, dan wel als feestelijk, dan wel als verborgen kritische noot.

Amazonsploitation

Het Amazonegebied moet met stip één van de meeste geëxploiteerde  gebieden ter wereld zijn. Als je de laatste eeuw in haar bestaan bekijkt kan je niet anders dan concluderen dat het een godswonder is dat de Amazone niet nog slechts in het land van de Dodo stroomt.

De meest bekende vorm van exploitatie is waarschijnlijk het ombouwen van het regenwoud tot weiland voor veeteelt, landbouwgrond voor soja en natuurlijk voor het kappen van hardhout. Mijnbouw is de laatste paar decennia ook erg in trek.

Dan zijn er de NGO’s die dit soort praktijken proberen tegen te gaan door het verkopen van grote lappen grond. Zoals De keuringsdienst van waarde al liet zien gaat dit vaak meer om het vullen van portemonnees  dan om het beschermen van het regenwoud. De omvang van het gebied, haar onherbergzaamheid en de wetteloosheid die dit met zich meebrengt maken het bewaken van zo’n stuk grond onbegonnen werk. Dat geldt helaas dus ook voor de indianen en hun reservaten.

Antropologen die alle indianen proberen te bestuderen dragen ook de smet van exploitatie. Er is bijvoorbeeld een discussie gaande over de mate waarin de vorm van een beloning in ruil voor informatie als uitlokking tot bepaald gedrag gezien kan worden – als je iemand beloont met beter gereedschap om te jagen dan is het resultaat waarschijnlijk dat deze persoon meer vangt en dus meer eet wat het dagelijks leven beïnvloedt en daarmee een meervoud van mogelijke onderzoeksuitslagen. Ook schijnt dat een aantal van de bekendste antropologen zich schuldig heeft gemaakt aan grootschalig sexueel misbruik. Daarnaast worden er methodes gebruikt die 300 jaar geleden al voor grote problemen hebben gezorgd in toenmalig Congo doordat men beleid is gaan maken op basis van verkeerd geïnterpreteerde  uitkomsten (zie David Reybrouck’s boek Congo. Een geschiedenis).

Wat de overige wetenschappen betreft heeft het Amazonegebied de bijnaam ‘De grootste apotheek der aarde’ gekregen. Een significant deel van de moderne medicijnen vindt haar oorsprong in planten uit de Amazone en de kennis over hoe deze planten te gebruiken is afkomstig van de indianen. Wij kunnen ons voorstellen dat deze apotheek grote wachtrijen kent en dat de medische industrie niet netjes een nummertje trekt en achteraan aansluit.

In de populaire cultuur wordt de Amazone niet ontzien. In de literatuur werd het idee van de wilde maar wijze indiaan al gebruikt bij het tot stand brengen van een Braziliaanse literatuur en identiteit. José de Alencar liet zijn romances in het regenwoud afspelen (weliswaar niet de Amazone, maar in die tijden was Brazilië min of meer 1 grote Amazone).

Tegelijkertijd wordt de indiaan ook als afschrikwekkende kannibaal afgeschilderd. Eerst door Hans Staden, maar in de jaren ’70 van de vorige eeuw ook door hordes Italianen en hun trashy films over kannibalen (Cannibal Holocaust is hiervan de bekendste). Fantasieën  over matriarchale stammen in het gebied hebben voor uren en uren aan softerotisch slap geouwehoer op tv gezorgd. Dieren in de Amazone moeten het ook ontgelden; de anaconda en de piranha spreken nog zo tot de verbeelding dat ze zelfs in 2012 voor gevulde bioscopen zullen zorgen. De mythische status van de piranha is trouwens aan een beschrijving uit Theodore Roosevelt’s boek Trough the Brazilian wilderness te danken (meer over Roosevelt en de piranha mythe):

“They are the most ferocious fish in the world. Even the most formidable fish, the sharks or the barracudas, usually attack things smaller than themselves. But the piranhas habitually attack things much larger than themselves. They will snap a finger off a hand incautiously trailed in the water; they mutilate swimmers—in every river town in Paraguay there are men who have been thus mutilated; they will rend and devour alive any wounded man or beast; for blood in the water excites them to madness. They will tear wounded wild fowl to pieces; and bite off the tails of big fish as they grow exhausted when fighting after being hooked.” 

Ondertussen zijn delen van het Amazonegebied uitgeroepen tot een soort reservaten voor de indianen. De Braziliaanse wet geldt er niet, en de indianen die er wonen zijn geen Brazilianen. Ze hebben geen paspoort, betalen geen belasting en kunnen niet stemmen. Aan de ene kant kunnen de indianen zo hun levenswijze behouden, aan de andere kant zijn ze gevangenen in hun eigen land. Ook is de afgelopen jaren al duidelijk geworden dat de status van reservaat eigenlijk geen betekenis heeft voor lokale overheden en (internationale) bedrijven. Als er iets te halen valt dan wordt dat gewoon gehaald.

Werner Herzog maakte een indrukwekkende korte documentaire over hoe het met een recent ontdekte stam afliep nadat zij door westerlingen benaderd was:

Het gebied spreekt ook ons tot de verbeelding. Het idee van een plek waar mensen wonen die nog nooit in contact zijn geweest met een andere vorm van beschaving; het bos waar geen plaats is voor onze wetten en dat even grote gevaren herbergt als dat het rijk is aan natuurschoon. Het bos vormt hier één van de meest sublieme ervaringen – in die zin is het oerwoud de gotische kathedraal van Brazilië.